Doorkijk

7 januari 2018

Openbaring van de Heer, zondag 7 januari 2018
Jesaja 60, 1-6, Efeze 3, 2-3a.5-6 en Matteüs 2,1-12

Vrijdag voor Kerstmis mocht ik samen met Henny van Osch in de kerk van Helenaveen het kerstverhaal vertellen aan de kinderen van basisschool De Peelparel. Ze bekeken de prachtige kerstgroep, leefden zich in in het verhaal, zongen kerstliedjes. Natuurlijk kwamen ook de drie koningen aan bod. Ik wees ze op de grote verlichte ster boven de beeldengroep. Kinderen blijken een scherp observeringsvermogen te hebben. Ik wilde het verhaal vooral ‘leuk’ houden en niet de rafelige randen ervan vertellen. Maar zij vroegen ook naar het kruis. Dat was niet zo vreemd. Want kijkend naar de ster viel hen het grote kruisbeeld op dat boven het priesterkoor hangt. “Jezus is toch op het kruis gestorven?” Een van de leerlingen vroeg zelfs naar de kindermoord van Betlehem, die ik maar even buiten beschouwing had gelaten.

Ster en kruis hangen dicht bij elkaar. Dat is een mooie gedachte die de kinderen van Helenaveen ons op het feest van Driekoningen, de openbaring van de Heer meegeven. Kruis en ster horen bij elkaar, als donker en licht. Jesaja spreekt over de duisternis die de aarde bedekt en de Zon die op zal gaan. Ook de drie wijzen gaan door het donker. In Jeruzalem, rond Herodes, is de ster niet te zien. De duisternis weerspiegelt zijn donkere, dreigende hersenspinsels die in het diepste zwart tot uiting komen als hij de kinderen van Betlehem laat vermoorden.

Ik heb de kinderen van De Peelparel dan ook maar het Paasverhaal vertelt. Dat was even improviseren. Maar het Paasverhaal sluit wonderwel aan bij het Kerstverhaal. Ook met Pasen is het een engel die goed nieuws komt vertellen, ook met Pasen gaat het over nieuw leven, ook met Pasen gaat het over licht. Niet het licht van de ster, maar het licht van de Paaskaars, dat we in het donker ontsteken en verspreiden: het licht van Christus.

Dat licht van Christus hebben de wijzen uit het oosten gezien. Ik moest denken aan een verhaal dat me dierbaar is, en waar ik al vaker naar heb verwezen: dat van de vierde koning, die net als de andere drie de ster had gezien en op weg ging. Onderweg werd hij steeds opgehouden door mensen die om hulp vroegen. Hij gaf hen wat ze nodig hadden uit te schatten die hij meedroeg. Zo bleef hij ruim dertig jaar onderweg, voordat hij eindelijk in Jeruzalem kwam. Daar zag hij Jezus lopen met het kruis op zijn rug. En hij besefte nu pas, dat hij allang en heel zijn leven zijn bestemming had gevonden: in de aandacht en zorg voor de meest kwetsbaren, in het licht dat hij in het donker bracht.