Licht

12 maart 2018

Jaar B, 4e zondag Veertigdagentijd
Johannes 3, 14-21

Even gaan de gedachten van Johannes weer terug naar het begin van zijn evangelie: ‘Het licht is in de wereld gekomen, maar de mensen beminden het duister meer dan het licht.’ Het blijft als een echo klinken.

Vroeger werd elke zondag het begin van het Johannesevangelie gelezen: ‘In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.’ Nu lezen we het alleen nog op eerste Kerstdag. Voor mij spiegelen in die woorden de beelden van het kerstverhaal, de donkere stal, het kind in de kribbe, de warmte van os en ezel, het licht van de engelen, de zorg van Maria en Jozef. Even leek het daar goed te komen – vrede op aarde – maar nog altijd vechten volken, gebeuren rampen, sterven kinderen. ‘God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?’ klinkt nog te vaak.

In de veertigdagentijd blader ik graag door de kruiswegstaties van Aad de Haas in het kerkje van Wahlwiller. Het zijn hele verstillende staties, met puntjes verf opgebouwd, heel precies, heel voorzichtig, om met de verf het tere en tedere verhaal niet aan te tasten. Er staat bijna niets op die staties. Een enkele boom rond de taferelen geeft de stemming weer. Meestal laten ze hun takken en bladeren hangen. De achtergrond is verrassend: geelgroen, zonnig licht.

Licht en donker worstelen of spelen voortdurend met elkaar. Als de zon even schijnt, dan voel je de spanning in de natuur om open te breken, tot nieuw leven te komen. Nog even en alles kleurt weer groen. De lente nadert, al is de zon even later weer verdwenen achter de wolken.

In de winter is de lente. In het lijden groeit de liefde. In het duister schuilt het licht. Dit lijkt eenvoudig, maar is het niet. Het is een geheim, een mysterie dat zich niet laat ontrafelen, waaraan je kunt twijfelen, zeker als je hoort wat voor onheil mensen overkomt; als je verstomd de beelden ziet over zoveel mensen die wreed en onmenselijk worden afgeslacht, steden en dorpen die zonder enig respect onherstelbaar worden vernietigd. Wat in de eerste lezing wordt geschetst, gebeurt nog steeds. En dan zijn er de vele, ontelbare onthutsende verhalen, die niet op TV komen, maar wel gebeuren en soms heel dichtbij komen. Waar is dan het licht? Kun je dan nog geloven in Pasen, in opstanding?

Toch gaan we verder op onze weg naar Pasen, een weg die altijd loopt langs Palmzondag, Witte Donderdag en Goede Vrijdag, dwars door het diepste duister van de dood aan een kruis. “De graankorrel moet in de aarde vallen en sterven om vrucht voor te brengen” horen we volgende week in het evangelie. “De Mensenzoon moet omhoog worden geheven zoals Mozes eens de slang omhoog hief in de woestijn,” laat Johannes Jezus vandaag zeggen tegen Nikodemus. Het kruis, dat afschuwelijke martelwerktuig, is vanuit het perspectief van Pasen een symbool van leven geworden. Het teken van het kruis verwijst vanuit en ondanks alles wat doods en donker is, naar licht en leven.

Zoals knoppen moeten breken om tot bloei te komen, zoals hout moet verdorren in de winter om in de lente nieuw uit te schieten, zoals zaad in de aarde moet sterven om op te groeien, zo zoeken mensen met vallen en opstaan hun weg door het leven.

Ik zie om me heen dat velen ontzettend veel kracht en moed kunnen opbrengen om zich door tegenslagen heen te slaan, om in het donker toch licht te zoeken en te vinden.

 

PJ