Oprecht

15 oktober 2017
Foto: Harry Keijsers; Beeld Gerardus Majella uit Walsbergse kerk, thans in St. Willibrorduskerk Deurne

Jaar A, 28e zondag door het jaar, 15 oktober 2017
Hoogfeest van St. Gerardus Majella, een van de patroonheiligen van de parochie
Jesaja 25, 6-10a, Filippenzen 4, 12-14.19-20 en Matteüs 22, 1-14

In het laatste nummer van D’n Uytbeyndel (93), het tijdschrift van de Heemkundekring, schreef Pieter Koolen een artikel over broederschappen in de Deurnese parochies. De Heilige Familie en de Mariacongregatie zijn het meest bekend. Maar ook rond de verering van heiligen werden broederschappen opgericht, om de verering van die heiligen te bevorderen, liefst ook bedevaarten aan te trekken en – mogelijk ook – door het toenemende bezoek inkomsten te verwerven. Zo is er in Zeilberg de Corneliusbroederschap en in Helenaveen de Donatusbroederschap. In de St. Jozefkerk was er een St. Jozefbroederschap en probeerde pastoor Van Abeelen de verering van de heilige Cunera, patrones tegen keel- en veeziekten, met het oprichten van een broederschap te promoten. Zij kreeg zelfs een eigen kapel. Het beeld is daar onlangs weer terug geplaatst. Opvallend is dat Gerardus Majella in Walsberg wel een kapel kreeg, maar geen broederschap. Misschien omdat hij maar een eenvoudige heilige is, of omdat hij door de verbondenheid met Wittem geen broederschap nodig had.

Gerardus was een magere, op het eerste gezicht wat onnozele jongen. Als kind had hij een groot religieus gevoel. Zo gaat het verhaal dat hij regelmatig thuis kwam met een versgebakken broodje. Hij vertelde steeds dat hij het onderweg gekregen had van een kleine jongen. Later zou hij zeggen: “Ik weet nu, dat die kleine jongen, die me brood gaf, Jezus zelf was.” Zo voelde Gerardus zich al jong uitgenodigd tot het kloosterleven. Maar de missiepaters en ook zijn heeroom zagen niets in de simpele kleermaker. Omdat hij zo bleef aandringen kreeg hij toch de kans. Maar in de begeleidende brief die hij aan de overste moest geven stond: “Ik stuur je een zwakke nietsnut, kijk maar of je er wat mee kunt…”

Maar Gerardus bleek in het klooster helemaal op zijn plek. Hij zette zich in voor de gemeenschap, deed het werk dat gedaan moest worden, en bracht uren door in gebed. Op een keer, in de tijd dat hij portier was, brak er een hongersnood uit. Gerardus vroeg toestemming om giften uit te delen. Dat mocht en hij deelde letterlijk alles uit wat er in huis was. De econoom van het klooster was daar natuurlijk niet blij mee, maar tot zijn grote verbazing bleek de provisiekast nog helemaal gevuld.

Zo hoorde Gerardus helemaal bij de mensen die – om met de woorden van het evangelie te spreken – van de straat geplukt worden om deel te nemen aan het bruiloftsmaal. Niet verwacht en toch uitverkozen. Door zijn misschien op het eerste oog wat overdreven, maar wel heel oprechte vroomheid en aandacht voor de mensen was hij gekleed voor het bruiloftsfeest van het Rijk der hemelen.

Die oprechtheid is essentieel. Ik denk dat daar de reden zit waarom die ene gast uiteindelijk toch buitengezet wordt.

Ik vond een verhaal dat dit goed illustreert: Twee jonge mensen wilden gaan trouwen. Ze waren rijk met elkaar, maar verder straatarm. Een groot feest konden ze niet organiseren. Uit eten was veel te duur, de wijn te kostbaar. Toch wilden ze feesten. Dus nodigden ze familie en vrienden uit om te komen. Cadeaus hoefden ze niet. Maar ze vroegen wel of iedereen een fles wijn wilde meebrengen. Bij de ingang van de feestzaal stond een grote stenen kruik, waarin iedereen zijn fles kon leeggieten. Normaal doe je dat niet met wijn, maar zo’n dure wijn brachten de mensen toch niet mee en het bruidspaar vond dat wel een mooi symbool. Alles samen voor iedereen. Een van de gasten had echter te weinig tijd gehad om wijn te gaan kopen. Hij vulde een lege wijnfles met water. Die goot hij op het feest uit in de grote kruik. Hij dacht: “Een beetje water tussen zoveel wijn, dat proeft niemand.” Maar dat viel tegen. Want toen het feest begon en de eerste glazen werden ingeschonken, zag de wijn er wel heel waterig uit. Er waren er meer die gedacht hadden: “Dat beetje water van mij tussen zoveel wijn, valt niemand op”.

Ik denk dat het zo ook is met ons samen leven, met hoe we met elkaar omgaan. Het kan een feest zijn, maar als niet iedereen meedoet, als we het laten afweten, als we te druk met onszelf bezig zijn, of te weinig tijd voor elkaar hebben, of als we met een zuur gezicht onbedoeld de aandacht trekken, of profiteren van anderen, maar zelf geen bijdrage leveren, dan wordt dat samen feesten, samen leven nooit iets. De heilige Gerardus Majella kan een voorbeeld voor ons zijn hoe het wel moet.

 

PJ