Geroepen

14 januari 2018

Jaar B, 2e zondag door het jaar, 14 februari 2018
1 Samuël 3, 3b-10.19 en Johannes 1, 35-42

Afgelopen week waren er heel wat bijeenkomsten voor eerste communicanten en vormelingen. De eerste communicanten van Helenaveen en Vlierden stonden stil bij hun doop en bij wat bidden is. De vormelingen van Deurne mochten ‘speeddaten’ met vrijwilligers en kerkgangers. Dat was een warme bijeenkomst met hartelijke ontmoetingen. Maandag doen de vormelingen van Vlierden hetzelfde. De vormelingen van Liessel en Neerkant hadden zaterdag een presentatieviering in de kerk van Neerkant. Ook met het doel om kennis te maken met wat er in de parochie leeft. Zij hoorden dezelfde verhalen als wij vandaag. Die pasten daar goed bij. Ik wil graag met u delen wat ik in Neerkant tegen de vormelingen heb gezegd.

Ik vind dat verhaal over Samuel een prachtig verhaal. Hij wordt geroepen, maar weet niet door wie. Hij denkt dat het Eli is, zijn leermeester, maar het blijkt God te zijn. Samuel wordt door God geroepen om profeet te worden, boodschapper van het goede nieuws van God.

Ouders kunnen je roepen – je naam is daarin heel belangrijk. Mijn moeder vertelde me ooit dat ze voor mijn broers en ik korte namen had gekozen: Jos, Paul, Ger. Dan kon ze ons des te beter roepen als het nodig was – en vooral natuurlijk als we een keer iets stouts hadden gedaan.

Je kunt je ook geroepen voelen om iets te doen. Dan roept er niemand echt, maar dan voel je gewoon: dit moet ik doen. Ik denk aan de kleine Tijn, die in december 2016 voor Serious Request nagels lakte. Hij vond dat hij dit gewoon moest doen, ook al was hij doodziek. Of de 16-jarige Mohamad Al Jounde uit Syrië die begin december de Internationale Kindervredesprijs 2017 ontving. Als jonge vluchteling zette hij zich in om Syrische kinderen die gevlucht zijn voor de oorlog in hun land naar school te laten gaan. Hij kreeg de prijs van Malala, inmiddels een jonge vrouw, die als kind een aanslag overleefde, maar zich bleef inzetten voor onderwijs voor meisjes en daarmee zelfs de Nobelprijs voor de vrede ontving. Ook in het klein kun je je geroepen voelen om mensen te helpen, om iets goeds te doen voor een ander.

Je kunt je ook geroepen voelen om iets te worden. Kinderen kunnen soms heel beslist zijn in wat ze later willen worden: profvoetballer, vrachtwagenchauffeur, kapper… Ik wist vroeger zeker dat ik architect wilde worden. Niemand had mij dat verteld. Maar ik wist het gewoon. Pas veel later kwam ik erachter dat ik nog liever priester wilde worden en als pastoor in de kerk en met mensen wilde werken. Ik had dat zelf nog niet zo in de gaten. Ik deed wel veel vrijwilligerswerk in de kerk, maar om priester te worden, daar had ik gek genoeg nog nooit aan gedacht. Tot de pastoor toen tegen mij zei: “zou het iets voor jij zijn om priester te worden?” Toen voelde ik me echt geroepen. Net als Samuel. Je kunt zeggen: het was die pastoor die mij riep. Je kunt ook zeggen: het was God die mij riep. Ik heb er nooit spijt van gehad dat ik toen ja heb gezegd.

De jongeren die aan het vormseltraject deelnemen hebben ook ja gezegd op de uitnodiging om het vormsel te doen. Sommigen misschien heel bewust, omdat ze het de moeite waard vinden, omdat ze wel eens bidden en erop vertrouwen dat God er voor hen is. Anderen omdat het moet van hun ouders, omdat zij die vorming belangrijk vinden. Ook al zie je dat als kind zelf niet direct zo. Misschien krijgen ze gaandeweg toch daar een goed gevoel bij. Dat hoop ik.

Met de vormelingen keken we rond in de parochie. De parochie is niet alleen het kerkgebouw, het zijn vooral de mensen die er komen. De kerken zitten niet meer zo vol als vroeger, maar er zijn nog steeds een heleboel mensen die af en toe een kaarsje aansteken bij Maria. Er zijn veel mensen die in de parochie actief zijn. Zij voelen zich op de een of andere manier geroepen door God, door Jezus, door Maria… En ze zeggen: Ja, hier ben ik.

Wie God is, dat is eigenlijk niet te vatten. Je ziet hem niet, maar Hij is er wel. Net als de heilige Geest. Het hebreeuwse woordje voor geest is ruah. Dat betekent adem. Die zie je niet, maar hij is er wel. Herman van Veen schreef ooit een gedicht over hoe hij God ziet:

“God is de wind
die door mijn haar waait,

God is de zon
die mijn lichaam verwarmt,

God is de sneeuw
die in mijn gezicht dwarrelt,

(…)

God is een naam,
die in mijn hart woont,
God is een lied, dat in mij zingt
God is een traan,
God is een kus.”

Ik gun de jongeren van nu en ons allemaal,
dat zij, dat wij die God ooit ontmoeten.

 

PJ