“Add me as a friend”

24 november 2019

Hoogfeest van Christus Koning, 24 november 2019
Lucas 23, 35-43

Als ik in het evangelie van vandaag hoor hoe Jezus aan alle kanten bespot wordt, komt bij mij steeds het beeld boven van voetballer Ahmad Mendes Moreira die huilend het veld verlaat, diep geraakt door racistische spreekkoren vanaf de tribune. Het is zo gemakkelijk om mensen uit te schelden, te kwetsen, te minachten. Zeker als je met meer bent. Het is zo gemakkelijk om je te laten meeslepen. En juist omdat het zo gemakkelijk is, is het een ernstig probleem. Hoe vaak hoor je mensen zeggen: “ik ben niet racistisch, maar…” Je hebt er zelf vaak geen erg in dat je bevooroordeeld reageert op iemand die ogenschijnlijk – vaak vanwege z’n huidskleur of afkomst of geaardheid of geloof – anders lijkt.

Woensdag liep ik in Den Bosch even de Grote Kerk binnen, de protestantse kerk vlak bij de Sint Jan. Er was een expositie k van foto’s van Carolone Waltman met de titel: “Zie mij”. Ik zag een foto van een jongeman met een donkere huidskleur die stralend lachend poseerde op een rots voor de zee. Op zijn blauwe shirt stond “Add me as a friend” (voeg me toe als vriend). Bij de foto stond een bijbelvers uit het boek Ezra (1,4): “Allen die hier nog als vreemdeling verblijven, waar zij zich ook mogen bevinden, dienen van hun medeburgers ondersteuning te krijgen in de vorm van zilver, goud, goederen en vee. Dit komt boven op de vrijwillige gaven voor de tempel van de God die in Jeruzalem woont.” Misschien juist door de kleine letters van de tekst komen die woorden des te harder binnen. Hoe gaan we met elkaar om? Meestal niet zoals in de bijbeltekst…

Georginio Wijnaldum maakte indruk op mij door zijn heldere en wijze reactie van de week. Hij zei: “Ons team is een eenheid, wij zijn gelijk. Wij kijken niet naar kleur en spelen voor Oranje en het volk. Het volk kan volgend jaar weer genieten van een mooi toernooi. Het is best raar dat dan wèl iedereen voor ons juicht.” Het Nederlands elftal onderstreepte dit enkele dagen later door de kring die ze maakten met armen uitgestrekt: een krans, een kroon die de koninklijke houding van solidariteit weergeeft die we eigenlijk allemaal zouden moeten hebben.

“Red dan jezelf,” roepen de mensen rond Jezus. Zoek het zelf maar uit, het is niet mijn probleem, hoor je vaak. Alleen… het is wel ons probleem. Maar je lost het niet op door verwijten naar elkaar te maken, te verharden in standpunten, het probleem te ontkennen, of een ander keihard te veroordelen.

We zeggen altijd dat we een tolerant en verdraagzaam land zijn. En dat menen we ook. Toch sluipen intolerantie en onverdraagzaamheid er gemakkelijk in. Met de vormelingen spelen we bij een van de bijeenkomsten een vooroordelenspel. Een van de opdrachten is een blad waarop allemaal vakjes staan met huidskleuren van licht naar donker. De vraag aan de kinderen is om te kijken bij welk vakje hun huidskleur past. Daarna mogen ze het blad openslaan. Alle vakjes blijken onderdeel van een foto waarop één persoon staat. Alle kleuren blijken bij die ene persoon te horen. Dat is voor de deelnemers een eyeopener.

Het geeft aan hoe voorzichtig je mag zijn in wat je doet en wat je zegt. Umberto Tan zei van de week in reactie op een ongelukkige opmerking van Marga Bult: “Laten we rekening met elkaar houden omdat woorden pijn kunnen doen en laten we elkaar duidelijk maken wélke woorden pijn doen. Maar laten we ook onze goede bedoelingen niet uit het oog verliezen, zelfs als ze rottig verwoord worden.” (in Roelf Jan Duln, “De racist is de ander”, Het Parool, 23 november 2019)

Dat is een koninklijke houding, waarmee we verder kunnen. Op het feest van Christus Koning mag het een richtingwijzer zijn naar de advent, de tijd van verwachting en hoop.