Oveerweging: Aren lezen achter de maaiers

7 december 2014

Jaar B, 2e zondag van de advent, 7 december 2014
Ruth 2 en Marcus 1, 1-8

Midden november zijn we met een groep van 20 parochianen afgereisd naar de abdij van Berne in Heeswijk-Dinther als voorbereiding op de Advent. Op deze abdijdag hebben we het boek Ruth gelezen en heeft pastoor Paul Janssen hierover een tweetal inleidingen verzorgd. Bij de overweging van vandaag heb ik mij dan ook gebaseerd op deze teksten.

Zojuist hebben we het tweede hoofdstuk uit het boek Ruth gelezen. Ruth ontmoet Boaz terwijl ze koren aan het verzamelen is. Ze ‘leest de aren achter de maaiers’, zoals dat plechtig in oudere vertalingen staat. Een bepaling voor de landbouw uit de tijd van Ruth luidde dat akkers niet tot aan de randen toe mochten worden gemaaid. Want de korenaren aan de randen waren bestemd voor de armen en de vreemdelingen. En ook het graan dat door de maaiers werd vermorst, moest blijven liggen voor de armen en behoeftigen van het volk. Zij mochten de aren lezen, oprapen van wat er zo bleef liggen. Een soort sociale voorziening, een bijbelse voorloper van onze Voedselbank.

Zo waren er in de wereld van Ruth al vele instellingen en bepalingen die het oogmerk hadden om te voorkomen dat armen en vreemdelingen van de honger zouden omkomen. Een maatschappelijk georganiseerde solidariteit, die het mogelijk maakte dat Boaz min of meer onopvallend de helpende hand kon uitsteken naar Ruth.

In onze tijd is solidariteit niet meer zo vanzelfsprekend. Het individu staat meer centraal dan het samen leven. De wereld lijkt steeds harder te worden. Of misschien is dat niet helemaal waar. Vroeger kon de wereld ook hard zijn. Maar anders dan nu. De hardheid van vroeger was een strijd tussen sociale klassen, waarin, zwart-wit gesteld, de rijken de armen onderdrukten. De hardheid van de moderne wereld is eerder een gevecht van het ene individu met het andere individu. De wereld lijkt op een arena van individuen die tegenover elkaar worden uitgespeeld, en wij spelen in meer of mindere mate dit spel mee. De moderne hardheid brengt een andere armoede teweeg: die van oppervlakkigheid en vluchtige contacten. Deze sociale bloedarmoede kan leiden tot gevoelens van verloren en verlaten zijn. Wat heb je dan nog te verliezen? Zo’n sfeer is een voedingsbodem waarin jongeren zich afzonderen, zich verliezen in een virtuele wereld waarin games en zgn. sociale media centraal staan. Of erger waarin ze radicaliseren en als Jihadstijder naar Syrië vertrekken. Ze trekken daarmee letterlijk de woestijn in.

Solidariteit en barmhartigheid blijken hard nodig om mensen niet buiten te boot te laten vallen. Dat laatste gebeurt nog steeds. In Deurne hebben we ons een aantal jaar geleden – ook vanuit de parochie – ingezet om een Voedselbank op te richten en later Grip op Schuld. Zeker in de begintijd van de Voedselbank was er veel weerstand. Dat is gelukkig veranderd en als we in deze adventstijd een actie houden voor de cliënten van de Voedselbank dan worden de bakken royaal gevuld. Maar is dat genoeg? Moet er niet meer gebeuren, wordt er niet meer van ons gevraagd, zoals Boaz Ruth meer geeft dan hij verplicht is?

Samen iets ondernemen verbindt mensen. Arenlezen op de velden, werken bij de Voedselbank, mensen helpen bij ‘Grip op Schuld’ of het organiseren van een ontmoetingsmaaltijd. Waar mensen samenwerken worden relaties opgebouwd. Waar mensen samenwerken kunnen we ook de goede Geest van God ervaren. Als we God toelaten in de relatie met onze medemens wordt deze zoveel ‘waarde’-voller en vruchtbaarder. Het helpen vormgeven van die relatie is niet alleen een uitdaging voor de kerk, het is vooral een uitdaging voor onszelf. Laten we in deze adventstijd samen de woestijn uittrekken op weg naar het licht. Of in de woorden van Johannes de Doper: ‘Samen de weg van de Heer bereiden, zijn paden rechtmaken’.
BJ