Overweging: Betlehem, huis van brood

25 december 2014

Kerstmis, 25 december 2014
Ruth 1-4 en Lucas 2, 1-14

Te midden van de korenschoven op de kale velden van Betlehem ligt het kerstkind tussen graan op een korenschep. De zichten met bijbehorende pikhaken, haarspit en hamer, liggen werkeloos op de grond. Op de achtergrond een dorsvlegel en een wanmolen. Vooraan een handmolen, een broodsnijder en brood in overvloed.

De kerstgroep in de St. Willibrorduskerk a/d Markt te Deurne ziet er weer heel anders uit dan vorig jaar. “Betlehem, huis van brood” is nu het thema. De naam Betlehem betekent ‘huis van brood’. Een mooie naam, vol vertrouwen, vol toekomst en zekerheid. Een vredige plaats, waar het goed toeven is. Betlehem… waar kan een kind beter geboren worden?

Toch is het niet allemaal zo mooi als het lijkt. In het bijbelboek Ruth is dat te horen. In de adventtijd hebben we het helemaal gelezen, elke week een hoofdstuk, vandaag een samenvatting. Het verhaal van Ruth speelt zich af in Betlehem en begint met een hongersnood: het ‘huis van brood’ beschikt niet meer over dat broodnodige brood. Als die hongersnood er trouwens niet was geweest, waren Noömi en Elimelech nooit weggetrokken, hadden hun zonen nooit Moabitische vrouwen getrouwd, was de geschiedenis anders verlopen.

Als vluchtelinge en later weduwe ontmoet Noömi in het donkere, ongastvrije buitenland één lichtpuntje: Ruth, een jonge, sterke, open vrouw. Zij gaat als buitenlandse met haar schoonmoeder mee, terug naar Betlehem. Haar integratie is gebaseerd op wederzijds respect: “Uw volk is mijn volk en uw God is mijn God,” zegt ze moedig. Ruth houdt niet krampachtig vast aan wat vertrouwd is en eigen, maar staat open voor de wereld. “Uw God is mijn God.” Daaruit blijkt een brede visie op wie God is, wie Gods kinderen zijn. Allah of Jahweh, God, Adonai, Heer, Messias, vertegenwoordigen in haar ogen verschillende aspecten van dezelfde Schepper. Alle mensen, op hun eigen manier gelovig, vormen dan een prisma van zoveel kleuren die samen helder stralen als de kerstster van Betlehem. Als we zo eens met elkaar om konden gaan…

Eenmaal in Betlehem blijkt er wel weer brood in dat huis te zijn, maar niet voor iedereen. Armen, kinderlozen, weduwen zijn daar veroordeeld tot de rand van de samenleving. Zij mogen aren lezen achter de maaiers. Wat de oogsters laten liggen, kunnen zij oprapen en voor zichzelf gebruiken: de Voedselbank van die tijd. “Het is niet veel, maar tenminste iets,” zeggen mensen die er zelf geen gebruik van hoeven te maken. Maar voor hen die het betreft voelt het vernederend als je zo je hand moet ophouden om rond te komen. Hun trots laten zij zich niet zomaar afnemen. Gelukkig hebben heel wat mensen zich van hun goede kant laten zien door in de advent gul levensmiddelen aan de Voedselbank te doneren. En ook in het verhaal van Ruth is er een lichtpuntje: landeigenaar Boaz stopt Ruth wat extra’s toe en uiteindelijk trouwt hij met haar en krijgt zij een zoon.

Dit verhaal was nooit in de bijbel terechtgekomen als niet de achterkleinzoon van Ruth, David, in naam van God tot koning werd gezalfd. Hij was maar een gewone herdersjongen, jong en met rossig haar, op de velden van Betlehem. Aan hem heeft Betlehem de titel ‘Stad van David’ te danken. Het is niet toevallig dat juist op die plek eeuwen laten opnieuw herders worden aangesproken: “Heden is u een Redder geboren, Christus de Heer, in de stad van David.” Een nieuwe David, een nieuw koningskind… Niet keizer Augustus en ook niet landvoogd Quirinius komen op kraamvisite, maar herders, gewone mensen, kinderen of jongeren vaak, in de ogen van de meesten in die tijd niet van belang.

Betlehem, huis van brood…, een plek waar mensen zichzelf mogen zijn, waar ze zich welkom kunnen voelen, geborgen in Gods hand, al is het dan ergens achteraf. In een kribbe, zo meldt Lucas, een voederbak, waar de beesten uit vreten, zeker niet bedoeld om er een kind in te leggen. Een aanklacht tegen de onmenselijkheid waarmee overal ter wereld kinderen tekort wordt gedaan, de basisbehoeften om te leven worden onthouden.

Betlehem, huis van brood… Het doet denken aan wat het kerstkind veel later zegt en doet. “Als de graankorrel niet in de aarde valt, zal hij geen vrucht dragen”, zal Jezus zeggen. Hij noemt zichzelf ‘Levend Brood’. En bij het Laatste Avondmaal breekt Hij brood en deelt het uit en zegt: “Dit is mijn Lichaam”, – dit ben ik, voedsel voor het leven.

Maar graan wordt niet zomaar brood. Het wordt gedorst, uit de aren geslagen, het wordt geplet en tussen de molenstenen fijn gemalen. Het moet door de hitte van het vuur om uiteindelijk tot vers brood te worden.

Elk jaar wensen we elkaar het beste toe voor het volgende jaar. Maar terugkijkend kent elk jaar behalve lichtpunten, voorspoed en prestaties ook z’n schaduwzijden, dieptepunten, falen. Zou echt geluk, innerlijk geluk, waar we toch allemaal ten diepste naar verlangen, alleen te vinden zijn als we gedorst, gemalen, gebakken worden door het leven? Is leven een proces van vallen en opstaan, van langzaam rijzen en smaak krijgen?

Leven is dan de kunst om van een voederbak een wieg te maken, van graan brood. Misschien kan dat vandaag een kerstwens zijn: om de kunst te verstaan in jouw eigen leven en dat van anderen, van een voederbak een wieg te maken, van graan brood, van donker licht. Dan wordt Deurne een beetje Betlehem, huis van brood.

 

PJ