Compassie

22 januari 2017

Jaar A, 3e zondag door het jaar, 22 januari 2017
Jesaja 8, 23b-9,3 en Matteüs 4, 12-23

Rosita Steenbeek houdt in haar essay voor de Maand van de Spiritualiteit een pleidooi voor compassie. Compassie, dat is: “Je betrokken voelen bij het lijden van de ander en daar verantwoordelijkheid voor nemen. Dat is denk ik de essentie. Het echt samenzijn in dat leed.” Zij merkt op dat compassie iets anders is dan empathie. “Het is zeker belangrijk dat je je kunt inleven en verplaatsen in de ander (empathie). Maar compassie gaat een stap verder. Als je mededogen voelt, is de drang om een einde te maken aan iemands lijden onontkoombaar. Je neemt daar dan verantwoordelijkheid voor.” Compassie moet ook niet verward worden met medelijden. “Bij die emotie zijn de verhoudingen scheef. Iemand wordt dan vooral zielig gevonden. Bij compassie gaat een persoon ècht naast de ander staan. Het gaat om gelijkwaardigheid.

In Trouw (vrijdag 13 januari 2017) vertelde zij hoe ze in Lampadusa is geweest en de gammele rubberboten met vluchtelingen zag aankomen, hoe de officiële hulpinstanties op afstand bleven, terwijl enkele meters verderop vrijwilligers belangeloos op de kade stonden met warmtedekens en thee. “Ze zien de vluchtelingen als mensen, horen hun verhalen aan en bouwen zo een band met hen op.” Compassie begint bij die ontmoeting van mens tot mens. Probeer je te verplaatsen in de ander, laat wat de ander beleeft en verwacht tot je doordringen.

De oproep van Rosita Steenbeek om compassie te tonen sluit naadloos aan op de uitnodiging van Jezus: “Ik zal u vissers van mensen maken.” Het gaat daarbij niet om zieltjes winnen voor het een of andere geloof, maar concrete en actieve aandacht voor de ander.

Aandacht voor de ander werd afgelopen donderdag ook in het Reddingiushuis gevraagd, waar we de documentaire “Ik heb een dokter in Marokko” zagen. Doel van de film is om mensen die in de zorg (gaan) werken een verrijkend beeld te geven van een andere beleving en verwachting van zorg in niet westerse culturen. Dat die beleving en verwachting anders kunnen zijn was een eyeopener.

Hoe ga je bijvoorbeeld om met het naderende levenseinde. Waar wij vaak precies willen weten hoeveel tijd we nog hebben, en waar doktoren daarover eerlijk willen zijn en liefst zo concreet mogelijk in dagen, weken, maanden, willen moslims dit liever niet horen. Want, zo menen zij: dan ontneem je de zieke de hoop die hij nog heeft. En hoop doet leven. Als je geen hoop meer hebt, ben je niet gestorven toch al dood. Ik vond dat een mooie gedachte.

Of als het gaat om pijn. In onze westerse visie moet pijn bestreden worden. Lijden mag niet ondraaglijk zijn. Maar wanneer is iets ondraaglijk? En voor wie? De zieke of de mensen eromheen? Een voorbeeld uit de film: een arts vond dat een man teveel pijn leed en diende hem daarom als vanzelfsprekend en zonder overleg morfine toe, zodat hij ging slapen. Maar waar wij nog vaak waarde hechten aan het sacrament van de ziekenzalving, is in de moslimtraditie het uitspreken van de geloofsbelijdenis op het einde van je leven van belang. De zieke had die kans niet gekregen. En dat voelde voor de familie als euthanasie.
Met wat aandacht voor de mens en leefwereld, het herkennen van gebruiken en tradities en daarmee rekening houden, met wat compassie zijn dit soort situaties eigenlijk heel eenvoudig te voorkomen.

Heeft lijden zin? is een vraag die steeds weer opkomt. Sommigen zien er een straf van God in, sommigen een test, een beproeving. Maar hoe is dat te rijmen met Gods goedheid en liefde? De vraag naar het waarom van lijden zullen we wel nooit kunnen beantwoorden.

Wel is het zo dat het lijden van de ene mens de ander kan uitnodigen tot liefde, zorg, inzet; tot het ‘vissen van mensen’; tot compassie.

 

PJ