De aanbidding der koningen

6 januari 2019

Hoogfeest van de Openbaring des Heren, 6 januari 2019
Jesaja 60, 1-6, Efeze 3, 2-3a.5-6 en Matteüs 2,1-12

Zo’n 500 jaar zit er tussen twee driekoningenimpressies die afgelopen december op mijn pad kwamen en die elk op een eigen manier de toeschouwer en toehoorder aan het denken zetten over dat mooie verhaal van de wijzen die naar de pasgeboren nieuwe koning komen kijken. Net als zijn collega Lucas schrijft Matteüs geen romantische vertelling, maar een rauwe en spannende thriller, die maar net goed afloopt. Kerstmis, inclusief Driekoningen, is het feest van licht, maar wel door het duister heen.

Op 4 december zag ik de drie koningen in het Noord Brabants Museum in Den Bosch. Daar vertelt de tentoonstelling “Uit de stal van Bosch” over de schitterende schilderijen die Jeroen Bosch maakte van de aanbidding der koningen.

Enkele dagen later, op 9 december, was er een adventsconcert in het Cultuurcentrum. Rond een kersticoon van de hand van Liesbeth Smulders spraken verschillende protestantse en katholiek pastorale werkenden uit de regio een overweging uit bij de hoofdpersonen van het kerstverhaal. Ik was met name onder de indruk van de indringende gedachte van Kees Bergman uit Venray over de koningen.

De schilderijen van Jeroen Bosch bevatten enorm veel fijn uitgewerkte details, die allemaal een betekenis hebben, al is die na zoveel eeuwen niet altijd even helder. Maar juist daardoor wordt je gedwongen om zelf na te denken. Wat bedoelt hij? Waarom schildert Bosch zoals hij schildert.

Zo staat op het schilderij dat in het Prado in Madrid hangt en waarover in Den Bosch een film te zien en enkele kopieën van tijdgenoten van Bosch, achter de drie rijk uitgedoste koningen nog een vierde koning. Althans, hij is zo anders dan de andere drie dat het meer een schertskoning is, of zelfs de antichrist, de nachtmerrie van het kind en zijn moeder, die in die bizarre figuur een afspiegeling van het lijden en de dood kunnen zien.

Je bent geneigd om te roepen: Weg met die man! Jij hoort hier niet thuis. Maar aan een schilderij valt niets uit te gummen. Aan het kerstverhaal trouwens ook niet. We lazen het niet, maar het verhaal over de wijzen uit het Oosten van Matteüs houdt niet op bij hun terugreis langs een andere weg. Herodes laat niet met zich sollen. De onmenselijk wrede kindermoord in Betlehem is het gevolg.

Vijfhonderd jaar later zet Kees Bergman de toehoorders in het Cultuurcentrum ook aan het denken: over wie die koningen of wijzen eigenlijk wel zijn. Niet tweeduizend jaar geleden, maar nu. Jeroen Bosch zou er wel raad mee weten. Bergman schilderde met zijn woorden dit:

“Zo, daar staan we dan met ons drieën! Afgemat en uitgeput door de lange tocht die we gingen. Onze waardigheid hebben we afgelegd of is ons afgenomen. Zelfs geen stralenkrans hebben we, ongelovige vreemdelingen als we zijn in de ogen van de mensen hier.

We gingen, vanuit onze vertrouwde omgeving, op weg met een visioen van vrede en gerechtigheid als een lichtende ster voor ons uit. We hoorden het vertellen en lazen het in boeken en zagen het op het nieuws. Ginds wijd dáár zal het beter zijn. De roepstem van verlossing lokte ons op weg.

We vertrokken met ons hele hebben en houden op de kameel … te paard … per boot … of gewoon te voet…. Onderweg sloten zich steeds andere groepen aan, zwart, geel, wit, rood, alle kleuren van de regenboog. Steeds meer mensen op zoek naar het visioen. We gaven kapitalen uit om tot hier te komen. Maar zie ons nu staan met bijna lege handen… De karavaan is uitgedund, de zwakkeren zijn achtergebleven of afgevallen. Onderweg hebben we monumenten gemaakt voor hen die van uitputting stierven of verdronken in die eindeloze zee van gebroken dromen. De reis was té lang.

Maar uiteindelijk kwamen we bij een grens. Die was afgesloten. Machthebbers zijn bang voor ons, voor de vreemde invloed die we hebben, het geloof dat we meedragen in het lichtend visioen dat ons voortdrijft. Maar wij met ons drieën zijn die grens gepasseerd, wij hebben de blokkades getrotseerd en zijn aan de hooligans ontkomen. Voor de poorten van de stad werden we doorgestuurd om verder te trekken naar dit armoedig nachtverblijf voor de dieren.

En daar zijn we dan, ontdaan van alle opsmuk kunnen we niet anders dan ons hoofd buigen voor wat we zien. Een stralend kind in een kribbe….

Is dít dan dat visioen van vrede en gerechtigheid?
Is dít kind dan onze hoop op een rechtvaardige samenleving?
Zal een KIND dan de redder van de wereld zijn?”   (Kees Bergman)

 

PJ