De glimlach van een kind

25 oktober 2020

Jaar A, 30e zondag door het jaar, 25 oktober 2020
Matteüs 22, 34-40

Soms zit er opeens een liedje in je hoofd, en je raakt het maar niet kwijt. Denkend over de lezingen van vandaag zong opeens een tekst van Willy Alberti in mijn gedachten rond: “De glimlach van een kind doet je beseffen dat je leeft…” Daar zit veel in: dat ik leef, kan ik ervaren in een ander.

Misschien ligt daar wel de betekenis van dat tweede gebod dat Jezus noemt: je naaste beminnen als jezelf. Van jezelf houden heeft een negatieve bijklank. Het kan tot egoïsme of narcisme leiden. Ik las pas weer eens de Griekse mythe over Narcissus. (Ilja Leonard Pfeijffer, De Griekse mythen). “Narcissus was van een adembenemende schoonheid en groeide op tot de allermooiste jongen van zijn tijd. Hij was trots en hooghartig en wist goed dat hij mooi was. Hij vond het vanzelfsprekend dat iedereen hem bewonderde en begeerde. Maar op een even vanzelfsprekende manier voelde hij zich te goed om zich tot hun niveau te verlaten en bewondering, laat staan liefde, op te brengen voor een ander mens. De godin Artemis besloot hem een lesje te leren. Ze liet Narcissus verliefd worden op iemand met wie hij de liefde onmogelijk kon bedrijven. Narcissus kwam op zeker dag bij een bron, spiegelglad en kraakhelder. Hij zakte op zijn knieën in het gras aan de oever om zijn dorst te lessen en hij werd op slag verliefd op zijn eigen spiegelbeeld. Voorzichtig bracht hij zijn lippen naar het water om zijn eigen weerspiegeling te zoenen. Maar de rimpeling van het water maakte zijn geliefde onzichtbaar. En toen het water tot rust kwam, verscheen hij weer. Uren en uren staarde hij in het water. Hoe kon hij leven met een geliefde die verdween onder de aanrakingen van zijn lippen? Hoe kon hij leven met schoonheid die hij tegelijkertijd wel en niet bezat?” Hij kon er niet mee leven en doodde zichzelf. Uit zijn bloed ontsprongen narcissen.

Deze manier om van jezelf te houden bedoelt Jezus niet. Hij noemt ‘jezelf beminnen’ in één adem met ‘je naaste beminnen’. In de ander kun je jezelf vinden. “De glimlach van een kind doet je beseffen dat je leeft…” Alleen in relatie met de ander kun je goed leven. Vroeger werd verwacht dat je je helemaal wegcijferde voor de ander. Meisjes gingen op hun 14e al ‘dienen’ bij anderen, jongens werden aan het werk gezet op het land of in de fabriek. Nietsdoen was ongehoord, ‘chillen’ bestond nog niet. Vaak beleven mensen aan het klaarstaan voor anderen veel vreugde en voldoening; soms kun je je afvragen waarom iemand niet meer voor zichzelf opkomt. Een enkele keer krijg je de indruk dat iemand zichzelf voorbijloopt in de zorg voor een ander of dat er misbruik werd gemaakt van de goedheid van een ander

Vorige week zaterdag is een trouwe parochiaan overleden. Een paar weken geleden mocht ik haar het sacrament van de ziekenzalving geven. Ze vertelde hoe zij zich had ontwikkeld tot een zelfbewuste vrouw, die heel goed wist wat ze wel of niet wilde. Zij dacht over alles na, maakte voor zichzelf keuzes, zette zich in voor zaken waarvan zij overtuigd was dat ze goed en zinvol waren. Ook in haar geloof had zij zich ontwikkeld. Zij zette zich op verschillende manieren in voor de parochie en voor de gemeenschap. Ik heb veel respect voor hoe zij in het leven stond. En zij keek tevreden terug op haar leven.

Ik heb voor haar een lichtje aangestoken bij Maria. Maria was ook zo’n sterke vrouw. Toen zij van de engel het bericht kreeg dat zij een kind zou krijgen, bleef ze niet thuis, maar spoedde zich naar haar oudere nicht Elisabet, die ook in verwachting was. Maria is er waar dit nodig is. Dat spreekt veel mensen aan. Ik denk dat dit een van de redenen is waarom er zoveel lichtjes en noveenkaarsen bij haar branden.

Maria verwijst ook altijd naar Jezus en via hem naar God. Jezus plaatst het ‘je naaste beminnen als je zelf’ op hetzelfde niveau als het beminnen van God met hart en ziel en al je verstand. Beide zijn gelijkwaardig, zegt Hij. Dat geeft stof tot nadenken: kun je in wat je voelt en doet voor een ander God herkennen? Ik denk dat veel mensen in onze tijd die verbinding niet of niet meer leggen. Als je dit wel kunt, of er in ieder geval voor openstaat, zou dat een verrijking en verdieping van je leven kunnen geven. Ik zeg ‘zou kunnen’ omdat het een zoektocht is. God is niet te vatten, hooguit te vermoeden en soms te ervaren.

Benedictijner monnik Thomas Quartier schreef er openhartig over (Open einde van je verlangen, p. 21-22). Hij ervaart God als een open einde van zijn verlangen. Dat verlangen, zo zegt hij, is wellicht nooit zo sterk geweest als in de dagen van crisis dit voorjaar. “Ik verlang naar mijn dierbaren, de mensen met wie ik me verbonden mag voelen, steeds en meer en steeds dieper. Ik kan ze niet altijd fysiek ontmoeten (…) Ik verlang naar dingen die ik niet in de hand heb en die ik graag zou willen controleren. Eén ding is zeker: dat lukt niet. Dan voel ik mijn verlangen en vooral het open einde ervan. Gebedsmomenten helpen om het open einde van je verlangen niet weg te moffelen maar er God in te zoeken. God wacht in je innerlijk waar je voor een moment mag vertoeven als je tot rust komt. God wacht ook in de geliefde mensen die je mag missen en met wie je toch verbonden bent. En God wacht in alle situaties die je niet kunt begrijpen: de goede maar ook de tragische. Die momenten zijn er altijd weer, maar ze gaan ongemerkt voorbij als je er geen woorden aan geeft en geen gebaren bij maakt. Sta stil en open je hart. Dat is bidden.”

God beminnen met hart en ziel en al je verstand
en je naaste als jezelf…
Het is nog lang geen tijd voor narcissen;
wel voor de glimlach van een kind,
en voor de medemens in je omgeving,
en in hun nabijheid en afstand voor God
als open einde van je verlangen.

 

PJ