De ziel van het dorp

12 mei 2019

950 jaar kerk – meer dan 100 jaar geloof in Deurne, zondag 12 mei 2019
2 Kronieken 5,6-8.10.13 – 6,2, Openbaring van Johannes 21, 1-5a en Matteüs 16, 13-19

Van welke kant je Deurne ook nadert, je ziet al van verre de St. Willibrordus-kerk liggen, met zijn imposante toren. Dat komt omdat de kerk groot is, groter eigenlijk dan een dorp kan bevatten, maar ook omdat hij op een hoogte ligt, in het verleden waarschijnlijk een plek die hoog en droog was en gemakkelijk te verdedigen.

Jezus gebruikt een vergelijkbaar beeld als hij tegen Simon Petrus zegt: “Jij bent een rots en op deze steenrots zal ik mijn kerk bouwen.” Of hij daarbij een gebouw of een instituut voor ogen heeft, is maar zeer de vraag. De Griekse tekst van het Nieuwe Testament gebruikt voor ‘kerk’ het woord ‘Ekklèsia’. Dit duidt vooral de groep of de samenkomst van gelovigen aan. Kerk zijn de mensen. Jezus zegt hier: Petrus, op jou kan Ik bouwen. En op jou kan de geloofsgemeenschap bouwen.

In het Oude Testament gaat het over de tempel die koning Salomo bouwt voor God in Jeruzalem. Tot dan werd de ark van het verbond, met de stenen tafelen met de tien geboden, in een tent meegedragen door het volk onderweg. Nu ze thuis zijn gekomen, kan een meer permanente huisvesting voor God gebouwd worden. Tegelijk wordt hiermee de afstand tussen God en mensen groter. Meegedragen tussen de mensen was God gevoelsmatig heel dichtbij. Maar de ark werd nu in het heilige der heiligen geplaatst, in de achterste ruimte, daar waar alleen de priesters mochten komen, onzichtbaar achter een gordijn, het voorhangsel, ver weg van het volk.

In onze kerk hebben we die afstand ook gekend. Vóór het Tweede Vaticaans Concilie was het priesterkoor verboden terrein voor de gewone mens. Het altaar, het hoogaltaar, was ver weg, de priester prevelde er zijn gebeden. Nog langer geleden was er hier in de kerk een oksaal tussen het priesterkoor en de rest van de kerk. Dat was een afscheiding waarop ook het orgel stond. Het belemmerde het zicht. En zo was het ook bedoeld. God was ver weg.

Met het Tweede Vaticaans Concilie in de jaren zestig veranderde de geloofsbeleving en ook de liturgie. Het altaar kwam naar voren en bij de laatste restauratie in 2004 nog meer. Wij zitten rondom het altaar, dat symbool staat voor Jezus’ en Gods presentie. “Gods woonplaats is onder de mensen,” hoort Johannes in zijn visioen. “Hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volk zijn en God zelf zal als hun God bij hen zijn.” Dat is wat een kerk, een parochie, een geloofsgemeenschap mag en moet uitstralen. Dat is wat elke christen mag uitstralen. Een gebouw als dit – met een geschiedenis van 950 jaar en langer – mag allereerst een hartelijk welkom bieden voor iedereen die er binnen wil komen.

Afgelopen week is een van de meest inspirerende katholieken ter wereld overleden, de Canadese filosoof Jean Vanier. Ik ken hem van de eenvoudige, maar mooie tekeningen die hij van bijbelverhalen maakte. Hij gebruikte die in de Arkgemeenschappen, die hij heeft opgericht, een internationale organisatie van leefgemeenschappen waar mensen met en zonder verstandelijke beperking elkaars leven delen. Een van zijn leefregels om meer mens te worden (Igniswebmagazine.nl 10 mei 2019)  is vragen naar elkaars verhaal. Hij zegt: “Mensen ontmoeten is naar mensen luisteren. Vertel me jouw verhaal. Zeg me waar je pijn zit, waar je hart sneller van klopt, waarnaar je verlangt? Ik moet naar de ander luisteren omdat zijn verhaal anders is dan het mijne, om te zien welke gaven de ander heeft.”

Een kerk, een geloofsgemeenschap, mag ruimte bieden – letterlijk en figuurlijk – om levensverhalen, die als vanzelf geloofsverhalen zijn, met elkaar te delen.

In het verlengde van deze leefregel geeft Vanier nog drie andere leeftips:

“Wees je bewust van je eigen verhaal.” Waarom ben je zoals je bent? Er zijn onbewust dingen in je leven aanwezig die je moet leren kennen; om uiteindelijk een belangrijke vraag te kunnen beantwoorden: wat is mijn grootste angst?

Verder noemt hij: “Stop de vooroordelen, ontmoet mensen.” Hij zegt hierover:
“We zijn gevangen in de tirannie van onze cultuur; in mijn groep, mijn religie, mijn politieke partij, mijn dit en dat. Want dat geeft veiligheid. Maar mens zijn betekent vrij zijn, de vrijheid voelen mijzelf te zijn. Vrij om een lid van de mensengemeenschap te worden. Daarom moeten wij de ander ontmoeten. De mensen die anders zijn. Zodat je gaat zien dat ook de ander een mooi mens is.”

En tenslotte: “Luister naar je diepste verlangens.” Vanier zegt hierover: “In de mens is een soort van schreeuw van oneindigheid aanwezig. Daarin verschillen wij van dieren. Het is wat ik noem de zoektocht naar het spirituele. Het is een soort innerlijke stem. Wat is jouw grootste verlangen?”

Zoals de muren en daken van een kerkgebouw de soms zo drukke, jachtige, verwarrende, gewelddadige wereld even buiten houden en zoals de ruimte hier binnen rust en stilte biedt om even op adem te komen, zo mogen wij als geloofsgemeenschap, als christenen, gewoon als mensen, ruimte geven aan elkaar. Het is maar goed dat onze voorouders deze ruimte steeds groter en groter hebben gemaakt, ogenschijnlijk veel te groot voor een dorp als Deurne was. Zij deden dat ter ere van God – en misschien ook een beetje ter ere van zichzelf –, maar ook om veel mensen binnen te laten, samen te brengen. “Gods woonplaats is onder de mensen”. Daarvoor kan geen ruimte genoeg zijn!

De kerk mag terecht “de ziel van het dorp” genoemd worden, maar vooral omdat hier mensen inspiratie vinden en geïnspireerd weer op weg gaan, met hart en ziel betrokken op elkaar.

 

PJ