Een lied

8 oktober 2017

Jaar A, 27e zondag door het jaar, 8 oktober 2017
Jesaja 5, 1-7 en Matteüs 21, 33-43

Jesaja begint zijn verhaal over een vriend en zijn wijngaard als een lied, een prachtig lied, vol vertrouwen in de toekomst. Er wordt gebouwd, er wordt geplant. De verwachtingen zijn hoog gespannen. En ook Jezus’ verhaal over een wijngaard start positief. Het bedrijf wordt opgezet. Pachters, wijnbouwers krijgen het kant en klaar aangereikt, met veel vertrouwen dat zij er goed voor zullen zorgen. Wat kan er nog verkeerd gaan?

Toch slaan beide verhalen al gauw om. Het lied klinkt opeens vals. Een droom wordt een nachtmerrie, hoop wordt de kop in gedrukt, vertrouwen beschaamd. Van de wijngaard blijft niet veel over: een dorre vlakte, een bloedakker.

Afgelopen woensdag, 4 oktober, was het feest van St. Franciscus. Van rijke komaf leefde hij het leven van een ridder. De ontmoeting met een melaatse veranderde hem. Hij ging naar hem toe en kuste hem. Vanaf dat moment koos Franciscus altijd partij voor de zwakkeren en verdrukten in de maatschappij. Dat ging zelfs zo ver dat hij afstand nam van zijn vader, van zijn rechten op de erfenis en zelfs van de kleding die hem nog herinnerde aan zijn oude leven. Gehuld in vodden leefde hij voortaan in en van de natuur. Hij besefte dat hij het leven van God gekregen had. Hij gaf zijn leven aan God terug.

Franciscus is volledig de tegenpool van die pachters in de wijngaard. Die geven niets. En ze geven nergens om. Zij nemen niet alleen wat hen toekomt, maar alles en ook ten koste van alles. Hun graaicultuur is grimmig. Voor rede en argumenten zijn zij niet vatbaar. Ze houden vast aan hun eigen gelijk, zelfs al gaan ze daar hun eigen ondergang mee tegemoet, zelfs al slepen ze iedereen om hen heen daarin mee.

Waar staan wij tussen die twee polen van de wijnbouwers en Franciscus? Zo extreem als die twee zal het doorgaans bij ons niet zijn. Maar flarden van hun verhalen worden ook in onze tijd geschreven. Zo is er veel te doen over de kwaliteit van het onderwijs, de werkdruk van de docenten, de toenemende vergrijzing, de zorg en de kosten daarvan, het omgaan met leven en dood. Het belang van jong en oud is in het geding. Het lijkt alsof geld belangrijker is dan de mens.

Het zoeken naar oplossingen vraagt om visie op het geheel, om creativiteit en flexibiliteit van instanties en mensen die het betreft. Dat kan alleen als we verder durven kijken dan het leed dat ons treft, als we iets van Franciscus’ openheid overnemen.

En gelukkig zijn er toch telkens weer mensen die hun verantwoordelijkheid voor de wijngaard durven nemen, het veilige ik voorbij, ten gunste van de samenleving. Ik ben van nature een optimist. Ik geloof dat het lied van Jesaja nog altijd voorzichtig optimistisch klinkt:

“Ik wil zingen voor mijn vriend,
zingen het lied van mijn vriend en zijn wijngaard.
Mijn vriend had een wijngaard,
die lag op een vruchtbare helling.
Hij spitte hem om en maakte hem vrij van stenen,
hij plante er uitgelezen wingerden;
in het midden bouwde hij een toren
en hij kapte er een wijnpers uit.”

Hoe het lied verder gaat,
hangt van ons af.
Wij schrijven zelf het volgende couplet.

 

PJ