Overweging: Liessel – Enthousiast

13 december 2014

Jaar B, 3e zondag van de advent, 13 december 2014
Jesaja 61, 1-2a.10-11 en Johannes 1, 6-8.19-28
St. Willibrorduskerk Liessel

Afgelopen donderdag maakte ik hier in de kerk een van de voorbereidingsbijeenkomsten van de vormelingen mee en mocht ik die ook mee presenteren. De vormselwerkgroep durfde het aan om dit jaar met een nieuw project – of eigenlijk een traject, een reis, een pelgrimstocht – te beginnen, naar het voorbeeld van Deurne. Dat vraagt best veel van hen. Wat altijd vertrouwd was, elke routine is opeens niet meer vanzelfsprekend. Telkens opnieuw moet je je afvragen waarom je dingen doet, zoals je ze doet. Dat kost energie. Maar het levert ook veel op. Het enthousiasme van de werkgroep straalt uit naar de ouders en naar de vormelingen.

Donderdag gingen de vormelingen als het ware in vogelvlucht over de parochie heen. Ze mochten enkele vrijwilligers vragen stellen over waarmee zij bezig zijn, wat hen bezielt. De secretariaatsmedewerker vertelde vol vuur over de intentieaantekeningen en liet het doopboek zien, waarin de jongeren zichzelf konden terugvinden. De grafdelver had alle aandacht, toen hij vertelde over hoe diep een graf wel niet is. Een van de kosters liet de geheimen van de keuken van de kerk, de sacristie zien en kreeg natuurlijk de vraag: “Is dat echt goud”. Het voorgaan in avondwakes en gezinsvieringen is heel verschillend, maar bij beide presenteer je je voor de gemeenschap. Een vraag waarop het antwoord voor de jongeren niet vanzelfsprekend is, was: “Hoeveel verdient u met uw werk?” Vrijwilligerswerk is in principe ‘pro Deo’ of te wel: ‘God zal het u lonen”. Daar staat geen financiële vergoeding tegenover. En dan toch actief zijn in een parochie, rond de kerk: omdat ze daarin voldoening vinden, omdat hun geloof hen daartoe inspireert, omdat zij het fijn vinden iets voor een ander te doen. Dat gaf te denken bij de vormelingen. En daar was het ook om te doen.

Onlangs hebben de vormelingen van Liessel samen met die van Deurne een bijeenkomst gehad in het Parochiecentrum aan de Visser in Deurne. Verhalen-vertelster Desirée Hornix vertelde daar het verhaal van het gelukskind. Een sprookje eigenlijk. Mooi om te zien hoe die mannen en meiden van groep 8 toch weer even kind werden en meegingen in het verhaal. Knap hoe de vertelster drie kwartier lang de aandacht wist vast te houden. Wat heeft zo’n verhaal met het vormsel te maken? Op het eerste gezicht misschien niet veel. Het heeft wel met de vragen van het leven te maken: wie ben je, waar kom je vandaan, waar ga je naar toe? Iedereen wil gelukkig zijn, maar wat is echt geluk? Dat zit hem niet zozeer in rijkdom, geld, macht; wel in jezelf zijn, liefde die kan oplichten, durven op weg te gaan, vaak het onbekende tegemoet. Het leven is een avontuur, je mag er zelf iets van maken. Met de vorming die de kinderen hebben gehad, stellen wij bij het vormsel: je kunt het, je mag je eigen weg gaan op zoek naar geluk, met de geestkracht die in je is. Die geest, die we heilige Geest noemen, kun je niet zien, wel vermoeden en soms voelen als de stormwind van afgelopen week, waar je tegenin kon leunen.

Over die Geest spreekt ook Jesaja vandaag – en in het verlengde daarvan Jezus, als hij zijn levensprogramma bekend maakt: “De geest van de Heer God rust op mij; Hij heeft mij gezalfd om aan de armen de blijde boodschap te brengen. Hij heeft mij gezonden om te genezen allen wier hart gebroken is, om de gevangenen vrijlating te melden, aan wie opgesloten zijn vrijheid; om aan te kondigen het genadejaar van de Heer.” Met Gods Geest als bagage voor je leven kun je op weg gaan, als vormeling nog maar aan het begin van het levensavontuur, als mensen met elkaar op weg, als parochianen, geloofsgemeenschappen in ons fusieproces.

In een rondje dat we als beoogd bestuur onlangs maakten langs de verschillende parochieraden kwam de evolutieleer van Darwin even ter sprake. Darwin stelt dat de hele vorming van de aardbol en het leven daarop een proces is. Vaak wordt daaraan het zinnetje gekoppeld: “survival of the fittest”, wat dan zoiets zou zijn als het recht van de sterkste. Maar dat bedoelt Darwin niet. Hij stelt dat de soort die het best met veranderingen kan omgaan, kan voortbestaan, zich kan ontwikkelen, evolueren. Die gedachte spreekt mij wel aan, omdat wij als parochies ook in een soort evolutieproces zitten.

In ons avontuur is het de kunst om met moed en durf, met enthousiasme en betrokkenheid, met aandacht voor alle aarzelingen en vragen, op een goede manier om te gaan met de veranderingen in kerk en samenleving waarmee we worden geconfronteerd of we willen of niet. Hoe beter we met die veranderingen kunnen omgaan, hoe sterker we samen zullen staan.

De insteek van bestuur en pastoraatsgroep is het stimuleren van de vitaliteit van de gemeenschappen op locatie, kleine gemeenschappen in het grote geheel. Ik wil daar graag voor gaan, maar dat kan ik – en dat kunnen wij – alleen samen met u. Ik heb daar vertrouwen in als ik het enthousiasme zie van de vormselwerkgroep, de vrijwilligers die zij hadden uitgenodigd om over hun inspiratie te vertellen, de vormelingen ook en hun ouders. Ik put daar kracht uit, en ik hoop van harte u ook.

 

PJ