Geen wonder

2 augustus 2020

Jaar A, 18e zondag door het jaar, 30 juli 2020
Jesaja 55, 1-3 en Matteüs 14, 13-21

Er is niet genoeg…
Er is niet genoeg te eten en te drinken, er is niet genoeg plaats…, niet genoeg ruimte, niet genoeg werk, niet genoeg geld… Dat is vaak een eerste reactie als we met een probleem worden geconfronteerd. En dat probleem is dan vooral niet het onze. Een karikatuur hiervan was aan het begin van de coronacrisis het hamsteren van toiletpapier. Er zou eens niet genoeg kunnen zijn…

Ik las hoe landen schaamteloos potentiele coronamedicijnen opkopen om toch vooral zelf genoeg te hebben. De gedachte dat andere mensen minderwaardig zijn, dat zwart ondergeschikt is aan wit, dat mensen niet zichzelf mogen zijn, of dat we ongegeneerd de aarde kunnen leegroven voor eigen behoeften zonder rekening te houden met anderen, of dat we ons niet verplicht voelen anderen te helpen, heeft daar ook mee te maken. We hebben genoeg aan ons zelf.

Je zou er somber en cynisch van kunnen worden. Gelukkig laten Jesaja en Jezus vandaag een heel ander beeld zien. “Komt naar het water, gij allen die dorst hebt.” laat Jesaja God zeggen: Kom kopen, geniet zonder te betalen Er is volop eten en daarmee leven in overvloed. En Jezus gaat niet in op het advies van zijn leerlingen om de mensen maar weg te sturen. “Het is niet nodig dat zij weggaan, geeft gij hun maar te eten.” Maar hoe kun je van vijf broden en twee vissen duizenden mensen te eten geven?

Wat daar op die grasvlakte ergens achteraf gebeurt, wordt de ‘wonderbare broodvermenigvuldiging’ genoemd. Wat is dan dat wonder? Is het God die het brood laat regenen, zoals eens in de tijd van Mozes toen het volk in de woestijn honger had en God manna liet neerdwarrelen? Maar God en Jezus zijn geen tovenaars. Ik denk dat het wonder zit in het voorbeeld dat Jezus geeft, en dat daarna royaal navolging krijgt: Hij breekt het brood. Heel simpel. Het stelt eigenlijk niks voor, maar het vormt de basis van samenleven: delen wat je hebt.

Afgelopen week heb ik het laatste boek van Rutger Bregman gelezen. Ik werd er enthousiast van. “De meeste mensen deugen”, is de titel (De correspondent, 2019). Op de achterflap staat als introductie: “De mens is een beest, zeiden de koningen. Een zondaar, zeiden de priesters. Een egoïst, zeiden de boekhouders. Al eeuwen is de westerse cultuur doordrongen van het geloof in de verdorvenheid van de mens. Maar wat als we het al die tijd mis hadden? Bregman pleit in zijn boek op grond van degelijk onderzoek voor een nieuw realisme. Als je uitgaat van het goede van mensen, zullen zij ook vanuit dat goede gaan leven.

Dat dat niet alleen een naïeve gedachte is, bleek ook tijdens de coronacrisis: je zag vooral dat mensen voor elkaar klaar stonden, behulpzaam waren, creatief werden om ondanks alles wat niet kon en mocht, toch er het beste van de maken.

En eigenlijk zit het ook al van oudsher in de Brabantse natuur verweven. Comédienne Christel de Laat, haalt het aan in het augustusnummer van het blad van KBO-Brabant. Ze zegt: “Ik denk dat de meeste Brabanders trots op Brabant zijn vanwege het groepsgevoel. Het is ook óns Brabant, óns pap, óns mam: “ons” is een Brabants ding! De Brabantse gemoedelijkheid, daar hang ik heel erg aan. We kunnen op elkaar rekenen en zijn er voor elkaar.” Aldus Christel de Laat. Niet voor niets heeft dat maandblad van de KBO de naam ‘Ons’.

“De meeste mensen deugen” is ook een oer-christelijke gedachte. Net voordat Jezus de broden breekt, slaat hij zijn ogen ten hemel, zo schrijft Matteüs. Elders vertelt Jezus hoe zijn gebed begint: Onze Vader… Met het breken van het brood laat hij in de mensen rondom hem iets ontkiemen dat er al altijd zat. Mens ben je niet alleen, je bent geen individu, maar leeft met, door en voor anderen.

Geen wonder dat er dan opeens genoeg is voor iedereen.

 

PJ