Geroepen

21 januari 2018

Jaar B, 3e zondag door het jaar, 21 januari 2018
Jona, 3, 1-5.10 en Marcus 1, 14-20

Hij is een stadsmonnik. De meeste mensen weten waarschijnlijk niet dat er enkele Benedictijnse paters in het hart van de stad wonen. Ik ken hem van de werkgroep die jarenlang een Psalmendag organiseerde in de Bossche Sint Jan. Ooit had hij voor de deur van zijn communiteit een mand gevonden met een kindje erin. Ruim dertig jaar later stond de vondeling van toen weer voor zijn deur. “Ik heb je letterlijk van de straat opgeraapt,” zei d epater. Tranen kwamen op toen hij de man in de ogen keek en ze omhelsden elkaar.

Er zijn situaties die op je pad komen, die je niet kunt voorzien. Ze maken een ongelooflijke indruk. Je draagt ze je hele leven mee. Als je ervoor open staat, kun je er iets van God in zien: een vraag, een roeping.

Die pater schiet vol, om het weerzien van het kwetsbare kind dat groter is gegroeid, om de zorgen die hij destijds voelde: wat moet er van zo’n kind worden, zonder ouders, zonder familie; de pijn dat een moeder een baby kan achterlaten op straat voor een deur. En daardoorheen de vraag: waarom moest juist hij het kind vinden en niet een ander? De gedachte aan Mozes in het rieten mandje komt op. En daarmee het vermoeden dat er door het tragische van de situatie iets van een goddelijke hand werkzaam is, die toch het slechte ten goede keert. In de handen van de Benedictijn worden Gods handen voelbaar – toen bij het binnenhalen van het kind, en nu weer bij een stevige omarming.

Het is de kunst om momenten waarop Gods nabijheid voelbaar is te herkennen. Het vraagt om een open levenshouding, een open oog, een open oor, open handen, een open hart.

Vorige week hoorden we in de eerste lezing over de jonge Samuël, die door God geroepen wordt, maar hem pas herkent als zijn leermeester Eli hem erop wijst. Vandaag krijgen we een wel heel korte versie van het verhaal van Jona gepresenteerd. Er staat niet in dat Jona aanvankelijk helemaal niet wil. Hij vlucht weg voor Gods roepstem. Eenmaal overboord gegooid en opgeslokt door een walvis komt hij tot bezinning. En uitgespuwd op het strand van Ninive begeeft hij zich toch op weg om de stad namens God toe te spreken. Er staat ook niet in dat Jona daarna boos is, omdat God de stad toch niet verwoest en hij nu uitgelachen wordt als onheilsprofeet die de plank misslaat.

Dat is anders bij Jezus. Als Johannes de Doper gevangen genomen is, wijkt hij uit naar Galilea. Maar dat houdt hem niet tegen om door te gaan met waar hij net mee is begonnen: het verkondigen van zijn boodschap. Marcus noemt dat een Blijde Boodschap: in alles wat Jezus doet en zegt straalt door dat God van mensen houdt. Bij de doop van Jezus klonk dat al in de stem die te horen was: “Jij bent mijn kind, ik hou van jou.” En ook in Jezus uitnodiging “Komt, volgt mij” klinkt dat door. Jij mag gezien worden. Jij mag er zijn. Jij mag meedoen. Jij mag een visser van mensen zijn: mensen die in nood zijn opvissen, mensen die zelf niet kunnen bij de hand nemen, mensen die verdriet hebben troosten.

Soms voel ik me als Samuël, die vragend zijn weg zoekt. Soms ben ik liever zoals Jona, die stilletjes wegkruipt. Af en toe weet ik het net zo zeker als Jezus en zijn vrienden. Misschien voel ik me nog het meest verwant met die stadsmonnik, die op enkele momenten in zijn leven een hele bijzondere ervaring heeft gehad, waar een beroep op hem werd gedaan, waarin hij Gods roepstem, een fluisterstem hoort – heel even maar – en er stil van wordt en zijn tranen laat stromen. Tranen van verdriet, tranen van vreugde.

 

PJ