Gewoon doen

18 oktober 2020

Jaar A, 29e zondag door het jaar, 18 oktober 2020
Jesaja 45, 1.4-6, 1 Tessalonicenzen 1, 1-5v en Matteüs 22, 15-21

De evangelietekst van vandaag deed mij onmiddellijk denken aan al die praatprogramma’s, interviews – ja zelfs aan sommige Kamerdebatten waarmee we zo’n beetje doodgegooid worden. Woorden zijn wapens geworden. Meningen zijn hard en onverzettelijk. Luisteren lijkt niet meer tot de basale fatsoensnormen te horen.

Iemand zit aan tafel en de interviewer stelt strikvragen om vooral te laten zien hoe slim hij is, hoe groot zijn gelijk is en hoe fout of slecht de ander, zijn tafelgast, is. De zinnen beginnen dan vaak met “Vindt u niet ook dat…” of met “Denkt u niet ook dat”. Om dan de ander in een val te lokken of vooral de eigen mening nog eens helder op tafel te leggen.

Die farizeeërs doen niets anders. In het Nieuwe Testament kom je trouwens bij alle evangelisten fragmenten tegen, waarbij mensen Jezus dit soort vragen stellen: “Wat moet ik doen om in de hemel te komen?” “Wie heeft er hier gelijk?” “Ben jij de zoon van God?” Vaak worden die vragen gesteld door zogenaamd belangrijke mensen: Farizeeën of andere gezagsdragers. Vandaag zijn ze zo vals om hun leerlingen te sturen, in de hoop dat die man uit Nazaret eindelijk eens in de val zal lopen.

Wat mij in de antwoorden steeds opvalt is de rust en de eenvoud van de antwoorden die Jezus geeft. Hij wordt gezien als een man van het volk, een mens onder mensen. Een revolutionaire man, omdat hij zijn hart opent voor alle mensen, groot en klein, arm en rijk, voor mensen die altijd het rechte pad bewandeld hebben, maar ook voor mensen die geslagen zijn door het leven. Weduwen in diepe armoe. Mensen aan de rand van de samenleving: wie ziek of gehandicapt was had immers in die dagen geen plaats in de maatschappij. Zij werden gezien als mensen die gestraft waren voor hun zonden. Die man uit Nazaret wordt gezien als een gevaarlijk mens, door zijn zachtheid en ruimhartigheid.

Lekker een strikvraag: moeten we eigenlijk wel belasting betalen? Want daar had iedereen in Israël een hekel aan. Belasting aan de bezetter betalen. Jezus draait de vraag om. Hij weigert om zich te mengen in een discussie over de wetten en regels. Maar hij is heel erg duidelijk als hij antwoordt: “Geef aan God wat God toekomt.” Dat lijkt een beetje hoogdravend. Maar dit zegt de mens, die keer op keer aangeeft waar het om gaat. Die steeds teruggrijpt op de oude wetten van Mozes: God liefhebben en je naaste liefhebben. Daar komt het op aan.

Om het plaatje van de talkshows er maar weer eens even bij te halen: Jezus aan tafel bij Jinek of bij Op1. “Wat vindt U ervan? Mogen we niet gewoon lekker zelf bepalen of we een feest vieren? We leven toch in een democratisch land, en hoeven ons toch niet door virologen en artsen de wet te laten voorschrijven? We hebben toch her recht op een eigen mening en het recht op demonstraties?”

Jezus zou misschien iets zeggen over je fatsoen bewaren. Gewoon doen wat er van je gevraagd wordt om anderen te beschermen tegen infecties. Gewoon je handen wassen, afstand houden, een mondkapje op in de supermarkt. Misschien zou hij ons erop wijzen dat we allemaal ons steentje kunnen bijdragen, zodat artsen en verplegend personeel hun werk kunnen doen. Respect hebben voor elkaar.

Ik geloof ècht dat Jezus gewoon weer zou zeggen: houd je aan de regels en ben vooral gericht op je naasten. Op de ander. Dan draag je wezenlijk bij aan een samenleving die voelt als een hemel op aarde. Elk leven is kostbaar, iedereen is belangrijk, iedereen mag er zijn. Dus laten we ons dan in de geest van die zachtmoedige man uit Nazaret met zorg inzetten voor de mensen om ons heen die ons nodig hebben.

Ook als dat van ons vraagt om zelf een stapje terug te doen.

 

WKH