Hamelen

20 december 2020

4e zondag van de advent, 20 december 2020
2 Samuël 7,1-5.8b-11.16 en Lucas 1, 26-38

“Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen, meneer?” Die televisieserie, uitgezonden tussen 1972 en 1976 heeft op mij als kind diepe indruk gemaakt. Ik vind het nog altijd fascinerend om af en toe een fragment terug te zien of een van de prachtige liedjes te horen met teksten van Harrie Geelen en op muziek van Joop Stokkermans. De serie gaat verder waar het sprookje eindigt: de kinderen uit Hamelen zijn door de rattenvanger weggelokt naar een andere wereld en zoeken de weg terug naar huis. Steeds weer komt een gevoel van heimwee naar boven, denken de kinderen terug aan hoe het was. Het was lang niet altijd even goed, maar het was ‘thuis’.

Misschien raakt dat gevoel van die kinderen uit Hamelen wel aan wat wij voelen, terwijl onze samenleving opnieuw in lockdown is. We voelen ons ontvoerd, meegenomen door dat rottige virus en kunnen niet terug. We worden dringend geadviseerd om zoveel mogelijk thuis te blijven, thuis leren, thuis werken, geen uitjes, hooguit een ommetje. We zijn thuis, maar het voelt niet vertrouwd. We hebben heimwee, verlangen naar een tijd, nog niet zo heel lang geleden, dat we konden gaan en staan waar we wilden, dat alles kon en mocht, dat niets ons tegenhield, een tijd die we ‘normaal’ noemden.

David zit – zo vertelt de eerste lezing – in zijn paleis, zijn huis. Na een periode vol strijd, problemen en gevaren is hij eindelijk gesetteld. Maar het wringt nog voor zijn gevoel. Hij heeft God nog geen plek gegeven in zijn huis. Hij in een paleis gebouwd uit de duurste materialen en God in een schamele tent, dat kan niet in zijn ogen. Maar God reageert bij monde van de profeet Natan heel duidelijk: Voor God hoef je geen huis te bouwen, God bouwt een huis voor jou. Dat huis maakt van je paleis pas echt een thuis.

Maria ervaart dit als geen ander. Zij wordt zelf het huis, de schoot van Gods Zoon. Zij is Gods paleis, Gods thuis. Het enige dat zij hiervoor hoeft te doen is haar hart te openen. En dat doet ze: “Zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar uw woord”; of in een modernere vertaling: “Ik wil God dienen. Laat er met mij gebeuren wat u gezegd hebt.” Daarmee wordt haar huis een thuis, niet alleen voor haar zoon, maar ook voor iedereen die zich openstelt voor haar kind.

Vroeger hing er in alle huiskamers wel een kruis en stond er een Mariabeeld of Heilig-Hartbeeld in een hoek. Het hoorde erbij, maar het was ook een uitdrukking van geloof. Het gaf een gevoel van geborgenheid, veiligheid: wat er ook gebeurt, God en Maria en Jezus zijn er voor je.

Ik denk dat we juist die geborgenheid op dit moment vaak missen. Ilja Leonard Pfeijffer, die zelf zegt niet gelovig te zijn, schrijft in zijn dagboek Quarantaine (24 april 2020): “Sinds we God op non-actief hebben gesteld en hem zijn schepping uit de handen hebben gerukt, zijn we ons meesters van het lot gaan wanen. Het leven was maakbaar en zelfs de dood zetten we naar onze hand. Lijden was achterhaald en geluk op bestelling leverbaar. We temden de grilligheid van toeval, elimineerden risico’s en streefden naar totale controle over alles. Eén lullig, microscopisch virus sloeg onze illusie van controle aan diggelen.”

Even leidde dit in het begin van de coronacrisis tot een gevoel van brede saamhorigheid, maar nu het langer duurt worden de lontjes korter, steken egoïsme, boosheid, verontwaardiging de kop op. We zoeken een schuldige. Maar het virus trekt zich van beschuldigingen niets aan. We moeten de oplossing bij onszelf zoeken, maar wijzen liever met onze vinger naar een ander, de regering, het RIVM, wetenschappers, mensen die te traag of verkeerd zouden handelen. We zoeken naar ons eigen Hamelen, maar kunnen de weg niet vinden.

Ik zie een weg in de uitgestoken, geopende hand van Maria: laat het maar gebeuren. Het is even niet anders. Probeer er het beste van te maken. Het beste, dat is niet alleen dat ‘lang leve de lol’ van het oude normaal, maar ook en vooral een bemoedigend woord, een hartelijk gebaar, een luisterend oor. Het klinkt heel eenvoudig. En eindelijk is het dat ook. Zoals het gebaar van Maria verrassend eenvoudig is. Zij plaatst niet zichzelf in het centrum, maar God. Maria wil mee in Gods bekommernis om mensen. En dat kunnen wij ook.

De populaire psychiater Dirk de Wachter zei pas (ED, 5 december 2020): “Spreek in vertrouwen met elkaar. Zie dat het heel verbindend kan zijn als je dat vertrouwen geeft. En dat kan een vorm van geluk geven die meer betekent dan het samen vrolijk naar een party gaan. Waar ik niks op tegen heb hè, echt niet. Maar de ongelukkigheid delen, kan een band creëren tussen mensen die veel duurzamer en betekenisvoller is dan alleen maar vrolijkheid.”

Misschien is zo de weg naar Hamelen te vinden, de weg naar Betlehem, naar Kerstmis, het feest waarbij we vieren – zoals monseigneur Jan Hendriks het treffend zei (Videoboodschap Nederlandse bisschoppen: Vier Kerstmis! 18 december 2020) – “dat Jezus geboren werd als arm en weerloos kind om ons te bevrijden uit een soort lockdown, een opgesloten zijn in deze aardse werkelijkheid; en om ons toekomst te geven, ruimte en uitzicht op een leven bij God onze Vader.”

 

PJ