Hoop

30 januari 2022

Jaar C, 4e zondag door het jaar, 30 januari 2022
1 Korintiërs 12,31;13, 1-13 en Lucas 4,21-30

Op de communiebank in Vlierden zijn zes engelen afgebeeld. In het midden knielen er twee eerbiedig biddend bij een kelk met een hostie in een stralenkrans. Twee andere engeltjes ondersteunen een banier met de tekst: ‘ecce panis angelorum’: zie het brood van de engelen. Op het linker paneel omhelst een engel teder een kruis. Op het rechterpaneel gaat een engel gebukt onder een enorm anker. Dit prachtige houtsnijwerk is een oude variatie op het symbool van geloof, hoop en liefde: kruis, anker en hart. Kelk en hostie zijn hier het teken van de liefde van Jezus voor ons mensen, die zover ging, dat hij zijn leven voor ons gaf. Het brood van de engelen is ook het gebroken brood van leven gegeven.

Over de liefde schrijft Paulus zo mooi. Het loflied op de liefde wordt het genoemd. Mij intrigeert altijd dat fragment net voor het einde, waarin het gaat over een spiegel: “thans zien wij in een spiegel, onduidelijk…” Geloof, hoop en liefde zijn mooie woorden, maar ze zijn ook niet te vatten. Pas als er geen geloof, geen hoop, geen liefde is, weet je dat je iets mist.

In Amsterdam, in het Wertheimpark, staat het Spiegelmonument ‘Nooit meer Auschwitz’. Jan Wolkers ontwierp het in 1977. 27 Januari is de dag waarop de mensen die omkwamen in het concentratiekamp Auschwitz en andere concentratie- en vernietingskampen herdacht worden. Dat waren plaatsen waar amper liefde was, het geloof zwaar beproefd werd en de hoop hooguit een smeulend kooltje, dat niet veel nodig heeft om uitgedoofd te worden. Het monument bestaat uit gebarsten – en door vernielingen nog meer beschadigde – spiegels. Wolkers zei erover: “De hemel blijft voorgoed geschonden. Het is een godsgruwelijke aanslag op alles waar een mens voor staat.” De verwoeste levens worden weerspiegeld in de geschonden hemel.

Elk oorlogs- en vrijheidsmonument is een appel op ons om te herinneren en niet alleen te zeggen ‘dat nooit meer’, maar ook daadwerkelijk ons in te zetten voor vrijheid en vrede, de hoop te koesteren en aan te wakkeren, het geloof levend te houden dat liefde sterker is dan haat, verderf en dood.

Ik moest denken aan dat mooie gedicht van Charles Peguy, ‘Het kleine meisje hoop’. Het is al eens vaker in een overweging voorgelezen, maar het blijft zo mooi. Iemand schreef erover: “Wat ik zo heerlijk vind eraan, is de God met ironische trekjes, die mild en verwonderd neerkijkt op zijn mensheid die er een puinhoop van maakt, maar die ook, door middel van een klein, onverwoestbaar vlammetje hoop, belichaamd in een kind, steeds weer opkrabbelt en voortgaat.”

Ik wil dat gedicht hier voorlezen en opdragen aan mensen die lijden onder de dreiging van oorlog, met name in Oekraïne, voor wie gebukt gaan ook onder de zorgen van de coronapandemie en voor allen die hoop zoeken.

Het kleine meisje hoop

Het geloof waar ik het meest van hou,
zegt God, is de hoop.

Geloof, dat verwondert me niet.
Ik ben overal zo zichtbaar aanwezig,
in de zon en de maan
en de sterren aan de hemel
en in ’t gewemel van de vissen in rivieren,
en in alle dieren,
en in het hart van de mens, zegt God,
dat het diepste is
en het meest in het kind
dat het liefste is
dat ik ooit heb geschapen.
In alles wat boven en onder is
ben ik zo luisterrijk aanwezig,
dat geloven, zegt God, in mijn ogen
geen wonder is.

Ook liefde verwondert me niet, zegt God.
Er is onder de mensen zoveel verdriet,
soms niet te stelpen,
dat je toch vanzelf ziet
hoe ze elkaar moeten helpen.
Ze zouden wel harten van steen
moeten hebben als ze voor een
die tekort heeft het brood
niet uit hun mond zouden sparen.
Nee, liefde, zegt God, dat verwondert me niet.

Maar wat me verwondert, zegt God, is de hoop.
Daar ben ik van ondersteboven.
Ze zien toch wat er in de wereld allemaal omgaat
en ze geloven dat het morgen allemaal omslaat.
Wat een wonder is er niet voor nodig
dat zij dat kleine hoopje hoop
nooit als overbodig ervaren
maar met voorzichtige gebaren
in hun hand en in hun hart bewaren,
een vlammetje dat keer op keer weer
wankelt en dreigt neer te slaan
maar altijd weer weet op te staan,
en nooit wil doven.
Soms kan ik mijn eigen ogen niet geloven.

Geloof en liefde zijn als vrouwen.
Hoop is een heel klein meisje van niks.
Zij stapt op tussen de twee vrouwen
en iedereen denkt: die vrouwen houden
haar bij de hand,
die wijzen de weg.
Maar daarvan heb ik meer verstand,
zegt God, ik zeg:
het is dat kleine meisje hoop
dat al wat tussen mensen leeft
en al hun heen en weer geloop
licht en richting geeft.
Want het is dat kleine meisje hoop
– je ziet het zwak zijn, bang zijn, beven,
je denkt soms dat het zo onooglijk is –
het is dat kleine meisje hoop
dat de mensen zien laat, zien soms even,
wat in het leven mogelijk is.

Het geloof, zegt God, waar ik het meest van hou,
de liefde waar ik het meest van hou, is de hoop.
Geloof, dat verwondert me niet.
Liefde, dat is geen wonder.
Maar de hoop, dat is haast niet te geloven.
Ikzelf zegt God, ik ben ervan ondersteboven.

 

PJ