Jezus!

18 februari 2018

Jaar B, 1e zondag van de Veertigdagentijd, 18 februari 2018
Genesis 9, 8-15 en Marcus 1, 12-15

In de Carnavalsmis heb ik bij mijn welkomstwoord over licht gesproken en in dat kader er enkele glossy’s bij gehaald. Ik kon die van “Jezus!” niet zo gauw vinden, maar later kwam ik hem toch in de boekenkast tegen.

Het is tegenwoordig een hype om over elke respectabele persoon of instantie een glossy uit te geven. Het kan een mooie manier zijn om die persoon weer even voor het voetlicht te brengen op een originele manier en voor een ander publiek dan doorgaans. Tegelijk moet je daarmee oppassen. Zeker ook bij de persoon van Jezus. Kan een glossy wel voldoende diepgang bieden of wordt hij niet een karikatuur van zichzelf: overdreven vroom of juist te menselijk.

De foto op de voorkant doet dat wel vermoeden: een vrome jongeman met een goed geknipte baard en golvende, keurig gekamde, lange haren… Maar op de achterzijde schrijft hoofdredacteur Arthur Japin: “Het is niet wat u verwacht, geloof me,” De voorkant past bij een modereportage met een knipoog, verderop in het blad, waarin een aantal figuren rond Jezus door een styliste worden geportretteerd, als zouden ze vandaag de dag leven, met tweedehandskleding uit het depot van het Leger des Heils. Verrassende portretten. Integer ook.

Arthur Japin probeert zich in te leven in de persoon van Jezus. Hij zocht de woestijn van Israël op om er alleen te zijn. Hij verwachtte er stilte, maar dat viel tegen. Er was een legeroefening aan de gang met een oorverdovend lawaai van vliegtuigen, bommen en geweervuur. Hij schrijft: “Als een mens hier al ergens de stem van God had kunnen horen, dacht ik, dan wordt die nu door alle geweld zeker overstemd.” Maar zijn gedachten blijven niet leeg. Zoals hij daar alleen staat tegenover al dat legergeweld, wordt hij geconfronteerd met zichzelf, zijn jeugd, waarin hij nergens bij hoorde. En hij merkte hoe een groep zich tegen een eenling kan keren. Hij ziet er een bepaald mechanisme in: mensen zoeken veiligheid en geborgenheid bij elkaar, maar naarmate een groep vorm krijgt, sluit die zich voor buitenstaanders en kan zelfs vijandig naar hen worden. Japin concludeert dan: “Een individu kan verdraagzaamheid opbrengen, een groep niet meer. Saamhorigheid blokkeert empathie.”

Dat is nogal wat. Als gemeenschap, en zeker als geloofsgemeenschap, willen we er zijn voor elkaar, maar zeker ook voor de ander. Maar is die ander nog wel bereikbaar als hij of zij buiten het kader, de regels en rituelen staat die we onszelf hebben opgelegd? Sluiten we ons niet te gauw af, sluiten we de ander niet te gauw buiten? “Zeker weten is het tegenovergestelde van geloven,” stelt Japin, en de uiterste consequentie daarvan is: “God gaf de mensen het geloof, maar de duivel schonk hen religie.” Het einde van het artikel is ontroerend: “Drie dagen ben ik in de woestijn geweest. Drie dagen werd er gebombardeerd. Midden in de nacht begreep ik het ineens: dit is de stem van God. Dit bulderen, dit dreunen. Ik ben hier gekomen om iets van hem te horen en dit is wat ik hoor: schieten, helikopters en ontploffingen. Een duidelijker boodschap is er niet. De aarde en de lucht trillen. God zegt me: Dit is dus waar religie toe leidt. Uiteindelijk zal de laatste wereldoorlog hier ontstaan. Omdat geloof religie is geworden.”

Zo zwart-wit zou ik het niet willen zien, maar het gevaar dat Japin aanstipt is zeker aanwezig in elke groep. Daar zit ik dan met mijn religie en mijn geloof en bladerend in “Jezus!”. Ik moet glimlachen als ik lees dat Jezus waarschijnlijk helemaal geen lange haren had. Dat was in Joodse kringen in die tijd helemaal niet gebruikelijk. Al bladerend kom ik toch weer terug bij dat artikel over de woestijn. Het blijft me bezighouden. Voor de woestijn van mijn leven hoef ik niet naar Israël. Ik zie hem om mij heen, ik kijk ernaar op TV. Wat doe ik ermee? Wat doen wij ermee? “Zeker weten is het tegenovergestelde van geloof…” Ja, zo denk ik er ook over. Daarom probeer ik wat woorden te zoeken om te bidden:

Geef mij een beetje geloof,
God, Jezus, Geest,
om de onzekerheid van het leven,
de kwetsbaarheid, de hardheid
te kunnen dragen.

Geef mij wat meer geloof,
om te blijven vragen, zoeken, zorgen,
open te staan voor de ander,
die naast me staat, voor me, achter me, om me heen.

Geef mij geloof
in de weg die ik mag gaan,
geduldig wachtend, vertrouwend,
dat er ergens een thuiskomen is,
waar hoop doet leven
in de kleuren van een regenboog,
vertrouwd even en dan weer verdwenen,
maar onzichtbaar aanwezig,
altijd en overal. Amen.

 

PJ