Klare taal

28 februari 2021

Jaar B, 2e zondag van de Veertigdagentijd
Genesis 22, 1-18, Romeinen 8, 31b-34 en Marcus 9, 2-10

Ik kijk op dinsdagavond graag naar het programma “Het geheim van de meester”. Daarin wordt elke week door een team van deskundigen een beroemd schilderij gereconstrueerd. Dat gaat verder dan natekenen. Schilder Lisa Wiersma kruipt in de huid van de kunstenaars, volgt hun technieken en werkwijze. Ze wordt daarin ondersteund en gevoed door materiaaldeskundige Joris Dik, historicus Thijs Hagendijk en restaurateur Michel van de Laar. Bij die laatste ben ik een keer op bezoek geweest in het kader van de restauratie van een schilderij van het Sint Jorisgilde. Hij heeft ook restauraties gedaan voor Museum de Wieger. Als hij vertelt, gaat een wereld voor je open.

Deze week koos het team voor het schilderij “De Toren van Babel” van Pieter Bruegel de Oude. U heeft het vast wel eens gezien. Breugel tekent zó gedetailleerd dat het haast onmogelijk is om het te kopiëren. Meer dan 1000 mini-mensjes zijn allemaal verschillend en levensecht geschilderd. Je raakt er niet op uitgekeken. Er werd verteld hoe Bruegel zich liet inspireren door een reis naar Rome, waar hij het Colosseum zag, toen al een ruïne uit de Romeinse tijd. En ook vond hij inspiratie in de levendige bouwwerkzaamheden van de stad Antwerpen waar hij woonde en werkte.

Het verhaal van de Toren van Babel gaat over hoogmoed en spraakverwarring. De mensen willen de top van hun stenenberg zo hoog mogelijk maken, ze willen zo dicht mogelijk bij God komen, liefst God zijn. Uiteraard steekt God daar een stokje voor en als hij het niet had gedaan, dan hadden de mensen het zelf wel gedaan omdat ze elkaar niet begrepen en verstonden, omdat er altijd mensen zijn die zich meer en belangrijker voelen dan anderen.

Bij het verhaal van Abraham en Isaäk en het evangelie van de gedaanteverandering van Jezus, moest ik denken aan die toren van Babel. Ook hier zoeken mensen de hoogte op en ontstaat er een spraakverwarring.

Abraham gaat te ver, veel te ver in zijn trouw aan God. Je kind opofferen, dat doe je niet. Dat heeft niets te maken met liefde voor wie dan ook, niet voor je kind, niet voor God. En toch doet Abraham het. God had het hem ingegeven, zo vertelt Genesis. Heeft Abraham het niet goed verstaan? Beproeft God inderdaad mensen? Ik waag het te betwijfelen. Maar hoe het dan wel werkt, en waarom het kwaad goede mensen treft, weet ik ook niet. In het verhaal komt het gelukkig goed. Duidelijk is wel dat Gods overwegingen en menselijke gedachten volledig langs elkaar heen kunnen lopen.

Dat gebeurt ook op de berg waar Jezus begint te stralen. Exegeten hebben zich afgevraagd wat Mozes, Elia en Jezus daar met elkaar bespraken. Men vermoedt – ook uit de uitspraak van Jezus aan het einde van het verhaal – dat het over zijn naderende en onvermijdelijke dood zou gaan. Zoals Abraham Isaäk wil offeren, zo offert God zijn zoon op voor een nieuwe toekomst voor mens en wereld. Isaäk koos er niet zelf voor, Jezus maakt de keuze wel zelf en zal doelbewust de weg van lijden en dood gaan, maar ook van nieuw leven, verrijzenis. Misschien geeft die ontmoeting op de berg voor hem wel de doorslag in het maken van die keuze.

Petrus, Jakobus en Johannes snappen er ondertussen niets van. Zij staren zich blind op het prachtige witte licht en de topconferentie van de bijbelse grote drie. “Hij wist niet goed wat hij zei,” schrijft Marcus, “want ze waren allen geheel verbluft.” Zij waren zo overdonderd, dat ze die stem uit de wolken misschien niet eens gehoord hebben, maar die wel essentieel is: “Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, luistert naar Hem.”

Opnieuw bekrachtigt God, net als bij de doop van Jezus, zijn liefde voor zijn Zoon en zijn verbond met ons mensen. Het verbond dat verstoord werd door de bouw van de toren van Babel, het verbond dat aan Abraham bevestigd werd: “Jij bent mijn kind, ik hou van jou.”

“Jij bent mijn kind, ik hou van jou.”
Dat is klare taal. Hierover is geen spraakverwarring mogelijk. En daaraan mogen wij ons als volgelingen van Jezus en als kinderen van God vasthouden.

 

PJ