Kwetsbaar gebed

24 juli 2016

Jaar C, 17e zondag door het jaar, 24 juli 2016
Genesis 18, 20-32, Kolossenzen 2, 12-14 en Lucas 11, 1-13

Een vrouwentorso gevormd van gaas. Binnenin hangen misschien wel dertig rozenkransen in allerlei kleuren. Een fraai beeld van Leny van den Eerenbeemt aan het begin van de tentoonstelling ‘Reflectie’ in de St. Willibrorduskerk Deurne. Op de achtergrond hangt een foto van Hendrik Wiegersma, zijn handen gevouwen. Of hij daar aan bidden is, is niet zeker – eerder niet dan wel – maar zijn gerimpelde gelaat en strakke blik laten wel de last zien die hij meedraagt, het stille verdriet en de eenzaamheid die als een zwaar juk op hem drukken.

Ik mijmer over die rozenkransen opgesloten in een lichaam. Ik zie erin het gebed dat alsmaar herhaald als een mantra verinnerlijkt, iets van jezelf wordt, zoals de adem die je niet haalt, maar die je gegeven wordt en die je steeds weer teruggeeft.

Onderaan, op de bodem van het beeld ligt een kogelhuls. Wat doet die daar? Is dat een uiting van de weerbarstigheid van het gebed. Al mediterend kunnen gedachten als losse flodders alle kanten opgaan. Of is het beeld toch niet zo lieflijk als ik het interpreteer?

Dat laatste blijkt het geval als ik de titel en de toelichting lees die Leny bij haar beeld heeft geschreven: “De kwetsbaarheid van de mens”. “Door de eeuwen heen zijn en worden nog steeds conflicten uitgevochten waarbij geloof of religie de aanleiding is. Met dit werk wil ik de negatieve invloed die een geloof of een religie op de mens kan hebben, aan de kaak stellen. Ik wil de kwetsbaarheid van de mens in het geloof, dat opgesloten zit in de mens, laten zien. Kwetsbaar in alle facetten van het leven. Zelfs een mensenleven telt dan niet meer. En waarom?!! Geen enkel geloof of religie kan dat rechtvaardigen.”

Daar wordt ik stil van. Leny heeft helemaal gelijk. Hoe kan het dat geloof en religie nog altijd misbruikt worden om het eigen gelijk te rechtvaardigen in het klein en in het groot. Mensen worden meegesleurd, geïndoctrineerd door leiders die hun fanatieke standpunten overgieten met een religieus sausje. Ik voel me daar ongemakkelijk bij. Ik heb in het geloof van mijn ouders een richting voor mijn leven gezien en probeer die te volgen. Ik heb een afschuw van radicalisme in welke geloofsrichting dan ook – ook in de onze –. Ik zie hoe mensen worstelen met hun geloof, zich soms schamen om ervoor uit te komen. Regelmatig klinkt de roep om alle religies maar af te schaffen. Maar ik geloof, ik weet haast zeker dat dit niet tot vrede leidt. Het geloof van Abraham, die aan de basis staat van de grote drie wereldgodsdiensten, is in wezen een geloof van vrede. Het gebed van Abraham in de eerste lezing is gericht op behoud, niet op vernietiging. Abrahams barmhartigheid is haast groter dan die van God.

En als Jezus zijn vrienden leert wat bidden is, dan klinkt dat alleen maar positief. Het gaat om heiliging van Gods Naam, niet om misbruik. Het gaat om een familiaire band: vader, papa en daarmee om respect voor elke mens die zich als dochter of zoon mag beschouwen. Het gaat om brood, genoeg om te leven. Het gaat om vergeving, een vergeten woord, maar o zo belangrijk in onze zoektocht naar geluk.

De laatste zin van het Onze Vader is wat lastiger: “leid ons niet in bekoring”. In de nieuwe vertaling die eind van dit jaar aan het begin van de advent wordt ingevoerd staat: “breng ons niet in beproeving”. De Belgische bisschop De Kesel schrijft er dit over: Bekoren is aanzetten tot kwaad. Dat doet God niet. Het gaat er bij die zin om dat we, als puntje bij paaltje komt, onze roeping als christen niet zullen verloochenen. Dat we niet, zoals Petrus, toen het gevaarlijk werd, zullen zeggen: “Ik ken Hem niet”. Dat vragen we met aandrang aan God in deze laatste bede van het Onze Vader: breng ons niet in dié beproeving. (vrij naar: mgr. Jozef de Kesel, toelichting bij het Onze Vader, 11 september 2014)

Een van de belangrijke waarden van het christendom en daarmee ons geloof is onze barmhartige aandacht voor de kwetsbaarheid van de ander. Het gaat niet om macht of geld, of volle kerken. Onze grootheid zit hem in de aandacht voor het kleine. Het gaat om die ene mens die op dit moment in nood is en op jou een beroep doet om hulp. We kunnen niet altijd helpen, wel een eindje met iemand meegaan, hem of haar de weg wijzen, voor haar of hem bidden. De kracht van het gebed moet je niet onderschatten: God in en uit ademen, met een krans van vertrouwde woorden, of zomaar in gedachten, of stil.

Rozenkransen in een gazen torso, niet opgesloten in een kooi. Tussen de ijzerdraden van het gaas is volop ruimte tot bevrijding. En de kogelhuls onder de gebedssnoeren is leeg. Die kan gelukkig geen kwaad meer.

 

PJ