Kwetsbaar

10 juli 2016

Jaar C, 15e zondag door het jaar
Deuteronomium 30, 10-14, Kolossenzen 1, 15-20 en Lucas 10, 25-37
Patroonsfeest van de heilige Donatus

Het was het gesprek van de dag, van de week zelfs. Iedereen vertelde over hoe hij of zij de ongekend stevige bui van 23 juni had beleefd. Wat opvalt is dat iedereen bang was. Ik zelf hoorde de hagelstenen bonken op mijn ramen en ik dacht: als ze het maar houden en ik ging er toch wat verder vanaf zitten. Ze hebben het gehouden en ook het dak, maar dat bleek lang niet overal zo te zijn. Sommigen hadden voor de tweede keer pech. Zij hadden de onweersbui van enkele weken eerder nog niet verwerkt. Veel daken hebben het niet gehouden. Dakpannen sneuvelden, kassen werden verwoest, inclusief de groeiende oogst. Ondernemers zagen hun bedrijf letterlijk en figuurlijk instorten. Een jongeman kwam lijkwit binnen en zei: “Het is oorlog”. Misschien was dit wel erger dan oorlog. Het geweld kwam zo onverwacht en zo fel. Je voelde je machteloos en vooral nietig. De zondag erop kwam iemand naar me toe. Ze was zo ontdaan… Ze was bij haar familie in Someren geweest en had de ravage gezien. Het liet haar niet los. De tranen stonden haar in de ogen. Of ik wilde bidden voor de getroffenen.

Bij de naweeën van de ramp van 23 juni gaat het vooral om geld: wat dekt de verzekering en wie betaalt de overige schade. Er dreigen bedrijven failliet te gaan, mensen onderdoor te gaan. Ik kan me voorstellen dat zij zich voelen als die man in het evangelie die beroofd en berooid achterblijft en op eigen kracht niet verder kan. Wat moet het ongelofelijk frustrerend zijn als er dan mensen zijn die langslopen en niet helpen. Wat kan het een onmetelijke opluchting als er dan iemand is die wel stilstaat. Door alles wat ik hoor over het noodweer, klinkt ook het positieve van hoe ellende leidt tot saamhorigheid: mensen die aanpakken en elkaar helpen, buren die informeren of ze iets kunnen doen.

Bij de expositie Reflectie in de Deurnese St. Willibrorduskerk staat een beeld van de hand van Ans Kanters met de titel Franciscus van Assisi. Het is een wat abstract werk, maar daarom niet minder mooi. En gebogen vorm valt als eerste op. Die staat – zo schrijft de kunstenares zelf – voor Franciscus. Hij was begaan met mensen, trok zich het lot aan van met name melaatsen. “De boog straalt kracht en bescherming uit.” Onder de boog staan een soort kommetjes, helder wit. Het is keramiek, maar het lijken haast gebroken eierschalen. Ze staan op dunne metalen steeltjes als waren het bloemen, die weer bevestigd zijn op een verweerde – en daardoor broze – houten lat. De kommetjes betekenen kwetsbaarheid en lichamelijke onvolkomenheid. Het wit staat voor geestelijke volkomenheid. Dat is enorm krachtig afgebeeld. Kwetsbaarheid en daarin toch gaafheid en waardigheid.

Ik zou vandaag aan de heilige Donatus willen vragen dat hij niet alleen onze voorspraak is bij God om noodweer, stormen en ongelukken af te weren, maar dat hij ons ook op het spoor zet van die barmhartige omarming, bescherming van het kwetsbare, de zon die achter de wolken toch altijd blijft schijnen, al zijn ze nog zo donker, al vallen er nog zo’n grote hagelstenen uit; de scherven die wellicht ook geluk kunnen brengen, al zie je het nu nog niet; op het spoor van God die met ons meegaat door weer en wind, niet voor ons uit, maar achter ons aan, en soms naast ons als het leven in duigen dreigt te vallen en je even niet weet hoe verder te gaan; God die zich laat kennen in mensen die voor elkaar klaarstaan.

 

PJ