Maria bewaart alles in haar hart

1 januari 2017

Oud en Nieuw, 31 december 2016 en 1 januari 2017
Lucas 2, 16-21

Weer is een jaar voorbij. De tijd vliegt, zeggen we wel. De media kijken in deze dagen terug en maken jaaroverzichten met goed nieuws en vooral wat verkeerd ging of anders dan verwacht. We kiezen de besten van dit of dat en knallen luidruchtig het nieuwe jaar in.

Niets daarvan bij Maria. Geen lijstjes, geen vuurwerk, geen ach en wee. “Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en overwoog ze bij zichzelf,” schrijft Lucas. Het is juist dit, dat haar zo geliefd maakt. Maria zegt nooit zoveel. Zij heeft geen oordeel klaar, zij luistert, zij bidt…

Zij geeft biddend ruimte aan God en al biddend wordt haar vreugde aangezegd. Als de engel Gabriël haar het goede nieuws brengt dat zij een kind zal ontvangen, zegt hij: “Wees gegroet, Maria…” of beter vertaald: “Verheug je, Maria…” Het is een uitnodiging tot vreugde, dezelfde vreugde die ook de herders in het veld ervaren als zij het kind in de kribbe bezoeken.

Maria laat God groot worden en maakt zich daardoor zelf klein, nederig. Dat laatste is een beladen woord, te vaak negatief uitgelegd. Maar bij nederigheid gaat het erom met beide benen stevig op de grond te staan. In die zin heeft nederigheid niet te maken met een gebrek aan zelfvertrouwen maar juist met vertrouwen. De nederige mens kruipt niet in zijn schulp, hij staat er, authentiek, met een krachtig besef van eigenwaarde. Wie een nederig mens ontmoet, voelt grootheid maar ook minzaamheid. Nederigheid draagt een zekere adel in zich. Het is echte, doorleefde menselijkheid.

Maria schept ruimte voor God en laat God groot worden. Van daaruit is zij betrokken op mensen. Zij maakt Gods naam waar: “Ik ben” – ik ben er voor jou, ik ben er altijd, zoals Mozes het uit de brandende braamstruik te horen kreeg. God heeft oog voor de vreugde en het leed van mensen. In dat perspectief zingt Maria haar Magnificat, haar lofzang op de armen en de kleinen, maar vooral haar lofzang op God die zich in Jezus laat zien als een Barmhartige die recht wil doen aan iedere mens.

Waar Maria doorgaans zwijgt, zingt zij in het Magnificat honderduit, om daarna weer te zwijgen en alles in haar hart te bewaren: als Jezus zich van haar vervreemdt; als Hij zijn kruisweg gaat en zij machteloos langs de kant staat; onder het kruis als Hij sterft; daarna als zij haar zoon weer op de schoot draagt, niet meer als kind in doeken gewikkeld, maar als dode man omhuld met een lijkwade.

Het kerstverhaal is een opmaat naar Pasen. Onder de grote kerstgroep in de St. Willibrorduskerk is dat te zien aan de doornenkroon, de steen met de afbeelding van het laatste avondmaal en het lijdenskruis. De brandende doornstruik die juist Gods toenadering tot de mensen verbeeldt, dooft uit in de doornenkroon die mensen Jezus zullen opzetten als zij zich van hem afkeren. Het kribbehout vol leven spiegelt zich in het kruishout van de dood. Het kindje in die voerbak zal zichzelf ‘levend brood’ noemen, voedsel ten leven, maar wel tot het uiterste gebroken en gedeeld.

Dat allemaal bewaart Maria in haar hart, terwijl weer een jaar voorbij is en een nieuw begint. Met paus Franciscus vragen we haar “om ons te helpen met haar moederlijk gebed, opdat de kerk een huis wordt voor velen, een moeder voor alle volkeren, en om de geboorte mogelijk te maken van een nieuwe wereld.”

 

PJ