Ontmoeting

24 maart 2019

Jaar C, 3e zondag van de veertigdagentijd, 24 maart 2019
Exodus 3,1-8a.13-15 en Lucas 13,1-9

Een struik licht op, een stem spreekt. Daar bij die brandende doornstruik ontmoet Mozes God. Hij ontvangt een haast onmogelijke opdracht. Het is een prachtige vertelling. Alleen jammer dat in ons lectionarium een stuk uit het verhaal is geknipt, namelijk de rest van de dialoog tussen God en Mozes. Mozes laat juist in dat stuk zijn menselijke kant zien. Hij voelt zich niet in staat de zending die hij krijgt uit te voeren. Hij sputtert tot viermaal toe tegen: “Wie ben ik nou, ik, een eenvoudige herder tegenover die grote farao?” en “Ze zullen met nooit geloven…” en dan “Ik ben niet zo’n goeie spreker…” en tenslotte “Kunt u niet iemand anders sturen?” De enige geruststelling die Mozes krijgt is Gods naam: “Ik ben die is”, Ik ben er voor jou. Ik ben er voor het volk – ik heb de ellende gezien, het gejammer gehoord. Ik ken het lijden. Ik daal af. Ik ben er.

God is er, maar Mozes moet het zelf doen. Zo geldt het ook voor ons. God is er. Maar we moeten het zelf doen.

Als Jezus in het evangelie verschillende rampzalige gebeurtenissen noemt uit zijn tijd, dan denk ik meteen aan de aanslag in de tram in Utrecht afgelopen maandag, of aan de aanslag op twee moskeeën in Christchurch in Nieuw Zeeland vorige week vrijdag, of aan de kaping van een bus met schoolkinderen in Milaan, of aan zoveel groot en klein geweld op zoveel andere plaatsen. Ze roepen reacties op: van wraak of juist de rust bewaren; van haat of juist liefde; van buitensluiten en uitbannen of juist samen optrekken, de verbinding zoeken; van muren bouwen of juist bruggen slaan. Het zijn gebeurtenissen en reacties van alle tijden en van overal.

Ik las pas een boek van Paul Moses, over de ontmoeting van Franciscus van Assisi en sultan Malek al-Kamil, dit jaar 800 jaar geleden (Franciscus van Assisi ontmoet de sultan, Berne Media, 2019). Het was de tijd van de vijfde kruistocht. Ondanks een royaal vredesaanbod van de sultan maakten de christenen onder leiding van een oorlogszuchtige kardinaal zich op om de strijd weer aan te gaan. Ook de sultan zat ondertussen niet stil. Franciscus van Assisi kwam op dat spannende moment aan en wist gedaan te krijgen dat hij met een medebroeder naar de sultan mocht gaan. Het werd een waardevolle ontmoeting. Zowel Franciscus als Malek al-Kamil lieten zich niet meeslepen door de vijandige en gewelddadige houding van hun tijdgenoten, noch door allerlei vormen van verdachtmaking en demonisering. Zij zochten de ontmoeting en herkenden bij elkaar een verlangen naar vrede. Die innerlijke kracht verbond hen met elkaar en oversteeg vijandsbeelden.

Bijzonder en opmerkelijk is dat dit in wezen ontroerende en hoopgevende verhaal in de loop van de geschiedenis weggemoffeld is. Het kwam de heerszuchtige pausen en andere kerkelijke leiders niet uit, maar het is ondanks alles altijd blijven rondzingen en anno 2019 misschien actueler dan ooit. Franciscus had een van de moeilijkste uitspraken van Jezus in zijn hart gesloten: “heb je vijanden lief”. Dat lijkt onmogelijk – ik voel ook bij mezelf meteen weerstand hiertegen – maar het is een wezenlijk christelijk – en misschien zelfs menselijk – levensprincipe. Wie is je vijand? Is er wel een vijand? Wil de ander niet in wezen hetzelfde wat ik wil: in vrede leven?

Franciscus wijst de weg van de ontmoeting, van mens tot mens; net zoals Mozes op zijn missie naar de farao om zijn volk vrij te krijgen; net zoals Jezus in het evangelie van vandaag in dat beeld van de vijgenboom: hak hem niet om, maak er geen korte metten mee, maar heb geduld, geef voeding en aandacht. Allen zijn zij geraakt door hun ontmoeting met God, hebben ze Gods nabijheid gevoeld: “Ik ben er voor jou”.

Daardoor mogen ook wij ons gesteund en bemoedigd voelen.
Daarmee mogen ook wij op weg, om in de ontmoeting met de ander
vrede te brengen.

 

PJ