Oordeel

7 april 2019

Jaar C, 5e zondag van de veertigdagentijd, 7 april 2019
Johannes 8, 1-11

Een vrouw in verdrukking. De kring sluit zich om haar heen. Ze proberen haar onderuit te halen en het lijkt te lukken. Genadeloos, meedogenloos. De man gaat kennelijk vrijuit – was hij niet net zo overspelig? Waarom wordt hij niet evengoed veroordeeld? – Maar zij kan geen kant meer op.

Mensen hebben soms snel een oordeel klaar. En een oordeel kan heel gemakkelijk een vooroordeel of een veroordeling worden. De vormelingen hebben pas een vooroordelenspel gespeeld. Dan blijkt hoe gemakkelijk je bevooroordeeld bent, hoe gemakkelijk je op het verkeerde been gezet wordt. De meeste kinderen zijn tevoren heel beslist dat ze niet zo veel vooroordelen hebben. Maar gaandeweg blijkt toch het tegenovergestelde. Dat is soms best confronterend.

Diezelfde vormelingen buigen zich deze en volgende week over de hernieuwing van de doopbeloften, die ze bij de Paaswake en ook in de Vormselviering zullen uitspreken. Daar gaat het o.a. over je verzetten tegen kwaad en onrecht. We vragen hen daarbij om even na te denken over wat zij zelf goed of verkeerd vinden in de wereld en om hen heen, en daarover iets op te schrijven. Het valt me op dat het voor hen gemakkelijker is om te bedenken wat verkeerd is in de wereld, dan wat goed is.

Ik merk het ook in gesprekken, daar waar mensen met elkaar buurten. Het is zo gemakkelijk om de kwetsbare kant van iemand te benadrukken, wat misgaat te veroordelen. Het komt soms niet bij je op om ook de andere kant te benoemen, waar iemand goed in is of misschien beter dan anderen. “Wie het hoofd boven het maaiveld uitsteekt, wordt zijn kop eraf gehakt” is een Nederlandse uitdrukking…

Waar komen vooroordelen, oordelen, veroordelingen vandaan? Vanwaar die nadruk op het slechte? Misschien is het eigen aan de mens, misschien heeft het te maken met het sterke individualisme van onze tijd: ieder moet maar voor zichzelf zorgen. Dat is anders dan vroeger, toen mensen bijna als vanzelfsprekend voor elkaar opkwamen. Ik verbaas me erover, ik maak me er zorgen over. Wat betekenen christelijke levenswaarden als ‘naastenliefde’, ‘niet oordelen’, ‘barmhartigheid’ nog? Is het geloof zo sterk aan de rand van de samenleving komen te staan, dat het buiten de zondagsviering niet veel meer voorstelt? Ik kan en wil dat niet geloven.

De overspelige vrouw staat daar maar, ze kan geen kant op. Maar dan opeens ziet ze de mensen die haar bedreigen één voor één afdruipen. Zij hoort wat de man in het midden tot hen zei: “Laat degene onder u die zonder zonden is, het eerst een steen op haar werpen”. Er is iemand die naar haar omkijkt, die haar aankijkt. Die blik is van levensbelang. Als Jezus er niet was geweest was zij er niet meer geweest. Haar leven is niet ten dode opgeschreven. Zij mag gaan, zij is vrij. Dat is geen vrijbrief om maar wat aan te modderen. “Ga heen en zondig van nu af niet meer,” zegt Jezus. Zij is vrij, maar moet ook aan haar eigen vrijheid werken.

Onze kracht als kerk, parochie, geloofsgemeenschap, als samenleving ook, valt of staat met onze kijk op de ander, de naaste. Hun geloofs- en levensverhaal laat ons iets van God zien. Mensen snakken ernaar om serieus genomen en bemoedigd te worden. Dat lukt niet door onze ogen te sluiten, door te oordelen of te veroordelen, maar alleen door op te zien, in te zien, om te zien.

De vrouw die overspelig genoemd wordt, breekt uit de kring van haar onderdrukkers. De wonden zullen genezen, de littekens neemt zij mee, blijven zichtbaar, voelbaar. Maar de vrijheid doet haar opstaan. Voor haar is het al Pasen, de winter voorbij, de lente begonnen.

 

PJ

afbeelding: reliëf gemaakt door pater Herman Falke scj