Open deur

25 augustus 2019

Jaar C, 21e zondag door het jaar, 25 augustus 2019
Jesaja 66, 18-21, Hebreeën 12, 5-7.11-13 en Lucas 13, 22-30

In het evangelie van vandaag zegt Jezus precies het tegenovergestelde van vier weken geleden. Toen klonk het nog heel uitnodigend: “Klopt en er zal worden opengedaan”. In een voorbeeld benadrukte hij dat: als iemand al geen zin heeft om open te doen, zal hij het toch doen als je maar blijft aandringen. Maar vandaag wordt de smalle deur dichtgeslagen. En hij gaat niet open, hoe hard je ook roept: ik ken je niet, ga weg.

Een maand geleden sprak Jezus tot zijn leerlingen. Vandaag is hij in gesprek met ‘iemand’, die niet met name genoemd wordt. Toen ging het om de vraag: “Heer, leer ons bidden”, nu is de kwestie: “Zijn het er weinig die gered worden?”

Jezus’ woorden klinken onbehaaglijk. Ik kreeg ongeveer hetzelfde gevoel van de week bij het zien van de schilderijen van Carel Willink in kasteel Ruurlo. Ze zijn heel realistisch geschilderd, maar hij gebruikt vervreemdende combinaties van beelden. Zijn landschappen ogen apocalyptisch, zeker tegen het einde van zijn leven. Maar er zit ook humor in. Willink wordt dan ook wel een ‘geamuseerd pessimist’ genoemd.

De schilder is vooral bekend van zijn portretten van de excentrieke Mathilde, maar hij maakte van meer mensen portretten. Eén ervan is dat van mevrouw Huijsmans-Evers. Ze zit wat stijfjes op de balustrade van een balkon. Voor de onthulling van het schilderij gaf ze een feestje. er waren oesters en champagne. Het ging er vrolijk aan toe, er werd gelachen en gedanst. Achteraf zei Willink: “Als ik geweten had dat u ook zó kon zijn, had ik u heel anders geschilderd.”

Of Jezus die humor ook in zich heeft, weet ik niet. Misschien in de laatste zin: “Er zijn laatsten die eersten en eersten die laatsten zullen zijn.” Maar eerst laat Jezus de huisvader nog tot twee keer toe zeggen: “Ik weet niet waar gij vandaan komt,” ik ken je niet. Zo’n antwoord wil je niet graag horen. Het roept bij mij de vraag op: laten wij ons genoeg kennen? Zijn we wie we echt – ten diepste – zijn? Of doen we ons soms anders voor? Ervaren we genoeg ruimte om onszelf te kunnen zijn? Geven we anderen genoeg ruimte om zichzelf te mogen zijn?

Daarover gaat, denk ik, het evangelie van vandaag. Je kunt pas jezelf zijn als anderen je de gelegenheid geven om jezelf te zijn. Anderen kunnen pas zichzelf zijn als wij hen de gelegenheid geven om zichzelf te zijn.

De vraag van die ‘iemand’ in het evangelie is gericht op resultaat, op een levenslange garantie: als ik dit en dat doe, dan is succes verzekerd. Als ik maar veel naar de kerk ga – “In uw tegenwoordigheid hebben we gegeten en gedronken” –, of als ik maar precies alle regeltjes volg – “in onze straten hebt Ge onderricht gegeven” –, dan zit ik goed. Maar zo werkt het blijkbaar niet. En als je dan ook nog meent dat wie anders leeft, geen redding verdient, niet mag bestaan, niet zichzelf mag zijn, dan ben je echt verkeerd bezig, ga je een doodlopende weg, loop je het risico dat je zelf je neus stoot en voor een gesloten deur komt te staan.

Het gaat Jezus niet om een onderscheid tussen ‘zij’ en ‘wij’, tussen goed en slecht, en al helemaal niet om berekening. Ik-gerichtheid en berekening beperken de blik, beknotten het zicht op de ander, verengen de deur naar geluk en redding. Geluk en redding zijn niet en nooit te claimen. Gelovig leven vraagt een open houding, gericht op de ander. Het vraagt om inspanning, actie. Het vraagt ook om moed. Want als je je openstelt voor de ander, stel je je ook kwetsbaar op. Je weet wel waar je aan begint, maar niet waar je eindigt.

Zo zou ik naar die nauwe deur willen kijken waarover Jezus spreekt. Je moet er wat voor doen, je inspannen om er binnen te gaan, maar daarna opent zich een wereld die zijn weerga niet kent: alsof in Willink’s schilderij van een apocalyptisch, grijs en leeg landschap opeens vanuit het oosten en het westen, het noorden en het zuiden kleurrijke mensen in vrede samenkomen.

 

PJ