Overweging: Geloven om te kunnen zien

3 april 2016

Jaar C, 2e zondag van Pasen, 3 april 2016
Handelingen 5, 12-16 en Johannes 20, 19-31

Eerst zien en dan geloven… Dat is een heel menselijke en herkenbare gedachte van Thomas. Maar zou je het ook niet anders kunnen bekijken? Een vriend van mij schreef het volgende:

Is het niet eerder andersom:
dat je het pas kunt zien als je erin gelooft?
Als je gelooft, dan ga je de dingen anders zien.
Een ongelukje wordt dan een kans
die je met beide handen aan kunt grijpen.
Straf wordt een mogelijkheid
om iets goed te maken.
Iemand die alleen is, wordt iemand
die op iemand anders wacht.
Een tak zonder bladeren wordt een tak vol met knoppen.
Je moet erin geloven, om het te kunnen zien.

         M. Zagers

Van de week kreeg ik een rouwkaart van het overlijden van Marion. Ik ken haar van de tijd dat ik in Goirle woonde. Zij werkte als vrijwilliger in het Parochiecentrum. Vanaf haar twaalfde was duidelijk dat ze “Ataxie van Friedreich” had, een neurologische aandoening, waarbij de zenuwen langzaam afgebroken worden. Vanaf haar 21e is zit ze in een rolstoel. Haar wereld stortte in. Maar ze liet het er niet bij zitten. Ze ging samenwonen met haar vriend. Ze bouwden samen een huis. Geen aangepaste woning, maar echt iets voor hen samen, helemaal op maat. Een architect heeft er iets moois van gemaakt. Een kunstenares maakte enkele prachtige glas-in-loodramen met als thema: de regenboog. De schitterende kleuren spraken haar aan. Zij hield van mooie dingen.

In een interview vertelde zij eens: “Vroeger was mijn motto: carpe diem, pluk de dag. Tegenwoordig wordt het steeds meer “struggle for live”, vechten om te leven. Het gehandicapt zijn speelt steeds meer een rol. Ik word steeds afhankelijker van mijn vriend. En ik leef voor hem. We kunnen niet zonder elkaar. Ik heb mijn rolstoel vaak genoeg vervloekt. Zeker als mensen om me heen wat meewarig naar me kijken of me niet serieus nemen omdat ik een spraakgebrek heb. Je ziet ze denken: er zal wel iets niet helemaal sporen. Of ze gaan hard praten omdat ik moeilijk spreek, maar met mijn oren is niets mis. Soms vragen ze iets over mij aan een ander, omdat ze denken dat ik niet kan antwoorden. Daar kan ik helemaal niet tegen. Als mensen iets meer geduld hebben, dan gaat dat best. Zo doe ik altijd zelf boodschappen. Bij de meeste winkels gaat dat prima. En als ze niet luisteren, dan ga ik gewoon naar een ander. Ik ben een mens. Ik wil gewoon meedoen. Ik zou nog wel meer willen in mijn leven, maar ja, ik ben nu al veel ouder dan ik volgens de doktoren ooit had kunnen worden.

Uiteindelijk is ze 61 jaar geworden. Een wonder. Zij geloofde in dat wonder. Ik heb twee keer een overweging over haar gehouden: de eerste keer toen ze 25 jaar in de rolstoel zat. “Het is een anti-feest…,” zo lichtte zij haar zilveren jubileum toe. Voor de anderen had ze een heerlijke traktatie, voor zichzelf had ze een bloemetje gekocht, een ‘rouwboeket’, zoals ze het zelf noemde: diep rode bloemen, tegen het zwarte aan. Alleen had de bloemist het in haar ogen niet goed begrepen, want tussen dat donkere rood zat een lichtroze roos en enkele roodroze sprieten, die het bloemenspel net wat speelser maakten en haast feestelijk.

Die bloemist had het toch goed ingeschat. Licht en donker horen bij elkaar, vullen elkaar aan. Licht geeft kleur aan het donker, donker geeft schaduw en diepte aan het licht. Zo vierde zij vooral haar dankbaarheid: dat er met haar hersens niets mis was, dat zij nog een aardig woordje kon meepraten, intelligent als zij was, dat zij nog vol humor zat en het toch maar mooi 25 jaar heeft volgehouden met al haar levenslust en haar positieve instelling. En het was sowieso een feest dat zij er was. Dat mocht gevierd worden.

De tweede keer dat ik haar in een overweging noemde was een paar jaar later met Hemelvaartsdag. Ik vind dat altijd een moeilijk feest om iets zinnigs over te zeggen. Maar zij liet het gewoon zien. Ze had een nieuwe rolstoel. Eén van de modernste die er waren. Ze kon er niet alleen mee rijden, maar ook mee staan. Een klein wonder was het toen zij voor het eerst haar nieuwe hulpmiddel demonstreerde. Voor het eerst zagen we hoe groot ze is. Voor het eerst kwam ze boven ons uit, keken wij niet op haar neer, maar zij op ons. Wat een ongelooflijke ervaring moet dat zijn geweest voor haar. “Haar Hemelvaart” noemen wij dat met een glimlach. En zij straalde…

Als je ergens in gelooft, dan kun je het ook zien… Waar mensen zich blindstaren op alles wat neerdrukt, pessimistisch en lusteloos maakt, blijft het donker, is Pasen niet te vinden, kan het geen Pinksteren worden. Je moet er zelf iets van maken, zelf een initiatief durven nemen, zelf vechten voor elke kwaliteit die het leven heeft. Je ogen ten hemel keren, bidden, kan daarbij helpen, maar het is niet het enige. Je moet het zelf doen.

Geloven om te kunnen zien…
En zien, dat is:
omzien naar wat gebeurd is,
inzien dat het anders kan,
uitzien naar wat nog niet is.

 

PJ