Overweging: Wat je hart je ingeeft

17 april 2016

Jaar C, 4e zondag van Pasen, 17 april 2016
Handelingen 13, 14.43-52, Openbaring 7, 9.14b-17 en Johannes 10, 27-30

De vierde zondag van Pasen is traditioneel Roepingenzondag. Dat is gekoppeld aan het beeld van Jezus als Goede Herder. Er is een tekort aan goede herders in de kerk en wellicht ook daarbuiten. Bidden om priesters, diakens, religieuzen, het lijkt ook niet echt van deze tijd. Hebben we nog wel religieuze leiders nodig? Met alles wat er gebeurt in kerk en wereld lijkt religie steeds meer in het verdomhoekje te raken. En ondertussen worden de kerkbanken leger en leger, spreekt dat wat er verteld wordt niet of nauwelijks aan, zoeken mensen hun eigen weg in de veelheid van stromingen. Zijn er nog roepingen? Wordt er nog geantwoord? De seminaries zijn leger dan ooit, in de parochies zijn bijna geen priesterassistenten te vinden.

Toch wil ik niet pessimistisch zijn. Er zijn mooie initiatieven waarbij de deelnemers het woord ‘roeping’ niet zo gauw zullen gebruiken, en die ook niet direct een religieuze invalshoek hebben. Maar zij voelen wel een enthousiasme in zich waarmee ze wel in beweging moeten komen. Of dat met God te maken heeft of niet, of je er de spirit van de heilige Geest in voelt of een innerlijke onrust, dat maakt niet zoveel uit. Het gaat erom dat je doet wat je hart je ingeeft. Voor mij is dat ook roeping.

Zo las ik vorige week in het Weekblad van Deurne over de negentienjarige Daniëlle Algera. Zij heeft een stichting opgericht en gaat daarmee in Ghana projecten opzetten, “kleinschalige projecten om de bevolking meer in de basisbehoeften te voorzien”. Van jongs af aan is Daniëlle al vol van het helpen van mensen die het minder goed hebben dan wij, die getroffen zijn door armoe of natuurrampen. Hoe komt een hedendaagse jongeren tot zo’n levensinvulling? Veel van haar leeftijdsgenoten zullen niet eens op de gedachte komen, laat staan er concreet iets mee doen. Zij gebruikt het woord ‘roeping’ niet en heeft geen religieus uitgangspunt – althans dat vertelt het interview niet – maar wij zouden zeggen: zij voelt zich geroepen om ontwikkelingswerk te gaan doen en zij geeft gehoor aan haar roeping. Ik heb daar bewondering voor.

Heel anders, maar ook bijzonder: we zijn bezig met een expositie in de Deurnese St. Willibrorduskerk over de religieuze werken van Hendrik Wiegersma, waaraan museum De Wieger haar welwillende medewerking verleent, maar ook een aantal kunstenaars uit de kring van de Open Atelier Dagen. Zij worden uitgedaagd om de thema’s die Wiegersma in de jaren twintig tot zestig van de vorige eeuw gebruikte, met een eigentijdse bril te bekijken en daarop in een kunstwerk te reageren. Het is prachtig om te zien hoe nu al zeventien kunstenaars zich aangesproken, geroepen voelen om mee te doen. Hun invalshoek is doorgaans niet religieus. Maar dat hoeft geen belemmering te zijn. Het kan juist verfrissend zijn. Bijbelse thema’s zijn ook en vooral levensthema’s. De Judaskus – een kus als teken van liefde, maar ook van verraad –, een gegeselde en bespotte Christus – de kwetsbaarheid en breekbaarheid van het leven –, het teken aan de wand uit het boek Daniël – de tekenen van onze tijd –, de Apocalyps in zestig prenten – de strijd tussen goed en kwaad, angst voor terrorisme, hoop op vrede, zonder hoop geen leven. Die eigentijdse benadering, die ongetwijfeld heel verrassend zal zijn, komt straks in de kerkelijke ruimte te staan en spreekt de toevallige bezoeker weer aan. Al die ontmoetingen tussen Wiegersma, contemporaine kunstenaars en bezoekers, bruisen van leven. Het enthousiasme van iedereen die meedoet is alleen al prachtig op te zien. Het heeft voor mij alles te maken met geroepen worden en antwoord geven.

Ik denk dat het onze taak als parochie, als geloofsgemeenschap is, om een open sfeer te creëren waarin een roepstem kan klinken, al is het soms niet meer dan een zachte fluistering; en waarin je je veilig kunt voelen om – hoe aarzelend en zoekend ook – antwoord te geven en te doen wat je hart je ingeeft.

 

PJ