“Hij die lacht”

25 februari 2018

Jaar B, 2e zondag van de Veertigdagentijd, 25 februari 2018
Genesis 22, 1-18 en Marcus 9, 2-10

De reis van Abraham en Isaäk wordt in het boek Genesis tergend langzaam beschreven, alsof Abraham, of de schrijver, tijd wil rekken. Want wat staat te gebeuren, kan eigenlijk niet, is te onmenselijk, te ongoddelijk ook.

Wonderlijk dat – net buiten de lezing van vandaag – na afloop van het drama aan de terugreis maar één regel wordt besteed, terwijl er zoveel is om over na te denken, verder te praten. Als dat al mogelijk is.

Zou Isaäk ooit de beproeving door God, waarvan hij het slachtoffer is geworden, kunnen begrijpen en verwerken? ‘Hij die lacht’ betekent zijn naam, maar het lachen is hem wel vergaan.

Zou de relatie tussen Abraham en Isaäk – hij was zijn lievelingszoon, niet meer verwacht en toch gekregen – nog dezelfde kunnen zijn? Een vader die zijn kind offert, breekt het vertrouwen dat het kind in hem heeft: dat hij hem zal beschermen tegen alles wat kwaad is en angstig maakt. Als dit vertrouwen weg is tussen kind en ouder, kan het dan ooit nog hersteld worden?

En hoe zit het met de relatie tussen God en Abraham? Wat stelt een verbond voor als één van de partners macaber speelt met mensenlevens? Zou Abraham niet een betere aartsvader geweest zijn als hij krachtig had geprotesteerd: “God, je kunt me wat: vertrouwen vraagt geen teken of bewijs. Niet mijn kind, dat is dwaas. Ik kan niet doden wie u het leven hebt gegeven. Hij is niet alleen kind van mensen, maar ook kind van U, God.” Was Abraham te zwak? Zat hij vastgeroest in de gewoontes van zijn oude godsdienst, waarin kinderoffers – hoe gruwelijk ook – gewoon waren.

En wat deed dit voorval met de relatie tussen Abraham en Sara. Kon hij haar nog recht in de ogen kijken? Zou zij hem niet verwenst hebben toen zij het verhaal hoorde. Of herinnerden ze zich samen hoe zij God niet geloofd hadden toen drie bezoekers aankondigden dat er een kind zou komen? Ging het hier om een herkansing; om nu wel te aanvaarden wat en wie van God komt?

Geloof kan soms gekke dingen met mensen doen. De dwaasheid van mensenoffers dwarrelt, stormt nog steeds door de wereld: waar ouders het niet meer zien zitten en zichzelf en hun kinderen om het leven brengen, waar volwassenen kinderen bomgordels omdoen in naam van de Allerhoogste, waar kindsoldaten ingezet worden als kanonnenvoer, meisjes ontvoerd in een zinloze machtsstrijd. Waar is dan die God die redt, die engel die er een stokje voor steekt?

Isaäk: ‘Hij die lacht’, betekent zijn naam. Spreekt in die naam toch hoop en vertrouwen, ondanks alles wat er gebeurd is, en wat er nu nog gebeurt en altijd wel zal gebeuren?

Op die andere berg wordt de basis gelegd van een nieuw verbond. Op hoog niveau wordt een definitief offer voorbereid en besproken tussen Jezus, Mozes en Elia, omkranst door Gods stralende nabijheid: het offer van Jezus, zijn ultieme zelfgave. Het hout op de schouders van Isaäk wordt het kruis op de schouders van Jezus. God zal zichzelf offeren en elk ander offer voortaan overbodig maken. Beproeving en angst zullen plaats maken voor vertrouwen: vertrouwen in opstanding, vertrouwen dat alle pijn, verraad, teleurstelling, zorgen, dood niet het laatste woord hebben.

De reikwijdte hiervan is nauwelijks te bevatten. Soms kun je er een glimp van opvangen. Al te vaak wordt vertrouwen echter overschaduwd. Misschien is het daarom dat Petrus geen drie tenten mag bouwen om zich te koesteren in Gods heerlijkheid. Er is werk aan de winkel, beneden, met twee voeten op de grond, totdat elk kind, waar ook ter wereld, echt een kind van God kan zijn, geen kind voor de dood, maar kind van leven.

 

PJ