Ruimte

27 augustus 2017

Jaar A, 21e zondag door het jaar, 27 augustus 2017
Jesaja 22, 19-23 en Matteüs 16, 13-20

Twee weken geleden, op 12 augustus 2017, gaf architect Hans Flapper in de St. Willibrorduskerk aan de Markt een lezing over de bouwgeschiedenis van kerken in het algemeen en genoemde kerk in het bijzonder. Hij begon met een citaat uit het evangelie van vandaag: “Jij bent Petrus, op deze steenrots zal ik mijn kerk bouwen”.

“Toch heeft Jezus geen kerken gebouwd. Hij predikte in de open lucht of in synagogen. Het evangelie van Mattheus is ons overgeleverd in het Grieks. Wat bij ons als ‘kerk’ wordt vertaald, heet in het Grieks ‘ekklesia’. Dan gaat het niet zozeer om het gebouw, maar om de ‘vergadering’, de ‘verzameling van mensen’. Het gebouw waarin vergaderd werd heette “theatra”,” zo vertelde Hans. “Van het woord “ekklesia” is ons woord ‘kerk’ afgeleid, waarmee in eerste instantie de gemeenschap van gelovigen werd bedoeld en dat veel later pas de betekenis van kerkgebouw heeft gekregen (zijnde een gebouw dat een passende behuizing aan de christelijke eredienst geeft).”

Dat geeft te denken. We kunnen nog zo’n mooie kerkgebouwen hebben, maar het gaat uiteindelijk om de gemeenschap, de mensen die er samenkomen: een verzameling van mensen die gebouwd is op een rots. Die rots is Petrus, maar vooral dat waarin hij rotsvast gelooft en wat hij ook uitspreekt: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God”.

Onze geloofsgemeenschap laat zich inspireren door Jezus. Hij is het fundament van ons geloof. Zijn woorden, zijn werken, zijn gebaren, zijn liefde, zijn lijden, sterven en verrijzenis vertellen ons over hoe te leven. Wij mensen zijn op elkaar aangewezen, kunnen voor elkaar klaarstaan, elkaar ondersteunen en bemoedigen, mogen met elkaar leven, elkaar ruimte geven, met elkaar delen.

Als ik dit zo zeg, voelt dat wat ongemakkelijk. We zijn vaak liever op onszelf gericht, aangeboden hulp komt al gauw als betuttelend of bemoeizuchtig over, niet iedereen is zo welkom als de tekst op een deurmat suggereert. Velen zoeken naar de zin van hun leven, maar gaan aan de kerk voorbij.

Hans Flapper eindigde zijn lezing met een vraag:
“Hoe moet het verder nu velen de kerk verlaten en de kerkgebouwen leeg komen te staan. Het is een grote zorg. Veel cultuurgoed dreigt verloren te gaan. Het stads- en dorpsbeeld dreigt te verarmen en wat op de plaats van de gesloopte kerken wordt gebouwd is niet altijd van een verheffende architectuur. Wat te doen?” Hij liet verschillende voorbeelden zien van al dan niet geslaagde herbestemmingen. Hij vroeg zich af of juist spectaculaire dansfeesten of sportwedstrijden de hedendaagse liturgie zijn om in hogere sferen te komen? Of moeten we het juist zoeken in bedevaarten als naar Santiago de Compostella, waar mensen niet zozeer God, maar zichzelf proberen terug te vinden? Of in de kaarsjes die we op vakantie bijna als vanzelfsprekend in kerken aansteken?

Of, zo vroeg hij zich af: “vinden we God weer terug in onze eigen gemeenschap in Deurne en overal waar mensen bijeenkomen om God te zoeken. Vrijdag een week geleden las ik in Trouw een interview met onze bisschop de Korte. Hij zei het volgende: “Ik vind het echter hoe dan ook belangrijk dat de kerk zich als ‘moeder’ opstelt. Van oudsher is de kerk als moeder van alle gelovigen beschouwd. Een moeder heeft altijd het heil en het geluk van haar kinderen op het oog. Soms gaan die kinderen een weg die de moeder afkeurt of gewoon niet snapt. Maar de moeder blijft altijd trouw aan haar kinderen, ook als ze een andere weg gaan.””

Ik vind dat een mooie gedachte: de moeder die de deur altijd open houdt, al is het maar op een kier.

Jezus verbiedt zijn leerlingen om hun geloof vrijuit te belijden. Dat verbaast me, maar ik kan het ook wel plaatsen. Geloof moet niet opgedrongen, niet geforceerd worden. Geloof mag gezaaid worden, ontkiemen, voorzichtig opgroeien, om uiteindelijk op te bloeien. Zo mogen mensen ook opbloeien in hun leven, in hun zoekende geloof, hun gelovig zoeken naar geluk.

Het is onze taak om als geloofsgemeenschap jong en oud daarvoor de hand te reiken, niet met grote woorden, maar in de ruimte van vragen.

 

PJ