Schaduw

24 september 2017

Jaar A, 25e zondag door het jaar, 24 september 2017
Jesaja 55, 6-9, Fillipenzen 1, 20c-24.27a en Matteüs 20, 1-16a
Herdenking Deurnese Oud-Strijders Nederlands Indië en Nieuw Guinea

Waren zij werkers van het eerste uur of van het laatste?
Zij stonden als eerste klaar om hun land te verlaten en orde en rust te herstellen in andere delen van ons koninkrijk. Was het idealisme of gewoon het avontuur: als jongere de saaie beslotenheid van het dorp doorbreken en iets kunnen betekenen?

Zij waren de laatsten die gingen, toen de wereld allang in de gaten had, dat het kolonialisme zijn langste tijd had gehad. Alleen de Nederlandse regering niet en de soldaten die zij uitzond. Wisten die veel… De leiders hadden het wel moeten weten. Maar dat is bezien met de kennis van nu. Het is niet eerlijk om met die bril naar toen te kijken en zeker niet om te oordelen en veroordelen.

Onlangs verscheen het boek “Tabé Java, Tabé Indië – de koloniale oorlog van mijn opa”. Ronald Nijboer kreeg vier jaar geleden de hutkoffer van zijn opa in handen. Er zaten volgeschreven dagboeken, bijzondere foto’s en onderscheidingen in uit zijn tijd als soldaat in Nederlands-Indië van 1946-1948. “Door mijn opa’s dagboeken stapte ik in een voor mij onbekende wereld,” zo schrijft hij, “een wereld van oorlog en leed, maar ook van kameraadschap en wonderschone natuur.” Hij probeerde het soldatenleven van zijn opa, die altijd gezwegen had over die tijd, te reconstrueren in zijn boek.

Alleen al de kaft spreekt boekdelen. Je ziet de schaduw van een wajangpop in de vorm van een soldaat. De armen zitten aan stokjes vast, om de pop te kunnen bewegen. Zo werden de militairen naar Nederlands Indië en later naar Nieuw Guinea gestuurd, om een strijd aan te gaan die geen oorlog mocht heten, maar het wel was. Veel soldaten van toen zijn gedesillusioneerd terug gekomen. Zij hadden hun plicht gedaan, maar inmiddels was ook in Nederland doorgedrongen dat de oorlog fout was. De jonge mannen werden er vaak op aangekeken, konden hun verhalen nergens kwijt. Er was geen ontvangst, geen beloning, geen nazorg. En het leven ging gewoon door. Sommigen hebben een goede tijd gehad in de drie jaar dat ze weg waren, anderen hebben op leven en dood gevochten en maken die strijd in hun nachtmerries nog altijd mee. De meesten zwegen en zwijgen over die tijd. Zo werden ze een schaduw van zichzelf.

Staatssecretaris Martin van Rijn riep op 2 september jongsleden bij het Nationale Indië Monument in Roermond op om juist niet te zwijgen. Hij zei: “Ook nu – bijna 70 jaar later – is het belangrijk te praten over wat er in Nederlands-Indië is gebeurd. Voor uw kinderen en kleinkinderen. Om uw kameraden die niet meer in leven zijn te herdenken. Maar ook om meer duidelijkheid te krijgen over het verleden van ons land.” Hij verwees naar een onderzoek dat onlangs gestart is. “Het is belangrijk van ooggetuigen zélf te horen wat zij hebben gezien en meegemaakt. Zodat er duidelijkheid ontstaat over wat er in die jaren precies is gebeurd. Een dergelijk onderzoek kan de pijn van oude wonden doen herleven. Maar ook het begrip vergroten van de moeilijke omstandigheden waaronder vele militairen moesten opereren. Daarom willen we nu het nog kan luisteren naar uw verhalen. Voor onze kinderen en kleinkinderen is het van groot belang om te weten hoe wij in het verleden zijn omgegaan met vrede en vrijheid.” Het gaat er volgens de staatssecretaris niet om om te oordelen of te veroordelen, maar om te begrijpen en te leren voor nu en later. En dat blijft actueel.

Hans van Bergen, schrijver en dichter, verwoordde het in Roermond – zoals elk jaar weer – haarscherp:

Het venijn van het Kwaad
zit verscholen in dat het zegt
dat de tijd alle wonden heelt,
om daarna als de pijn is geluwd
weer opnieuw toe te slaan.
Oorlog na oorlog, strijd na strijd,
willekeurig, meedogenloos
en onvermoeibaar.

Is het daarom
dat herinneringen van veteranen
naarmate ze ouder worden
elke dag zwaarder gaan wegen?

En is de angst die het geheugen
nacht na nacht weer oproept
niet enkel de angst van het verleden,
maar temeer ook die voor het
nooit aflatende kwaad in het verschiet?

(…)

Daarom eindigt de strijd
helaas niet in 1949,
maar zet zich voort
in de zinderende oerwouden van Nieuw Guinea
en de bijtend koude nachten van Korea,
in de kapotgeschoten straten van Sarajewo.
en het verzengende stof en zand van Libanon.
Maar ook nu weer in de metrogangen van Londen
en op de keien van de Ramblas.

Waren zij de werkers van het eerste uur of van het laatste, de jongens die als dienstplichtige of vrijwillig naar de Oost gingen? Het doet er niet zo toe. Hun ‘beloning’ dragen zij helaas levenslang met zich mee.

 

PJ