Schuren

28 augustus 2016

Jaar C, 22e zondag door het jaar, 28 augustus 2016
Sirach 3, 17-18.20.28-29, Hebreeën 12, 18-10.22-24a en Lucas 14,1.7-14

Wie ben je en wie wil je zijn? De Januskop van de hand van Trees de Kruijf-Swart in de expositie ‘Reflectie’ in de Deurnese St. Willibrorduskerk geeft de worsteling met die vragen weer. Een Januskop is een hoofd met twee gezichten: positief en negatief, vriend en vijand, liefde en haat, rustig kijkend en gemeen lachend.

Trees heeft dat mooi en knap verbeeld. De ogen ervan vielen mij op. Het gat dat zij heel precies boorde voor het linkeroog van het ene gezicht, komt uit in het linkeroog van het andere gezicht. Het gat voor het ene rechteroog komt uit in het rechteroog van het andere. Halverwege kruisen zij elkaar. Met andere woorden: iedereen heeft van allebei wel iets in zich.

Welke kant van jezelf laat jij zien? Jezus Sirach geeft er in de eerste lezing wat tips voor. Blijf bescheiden, zegt hij, en stel je zeker niet boven de ander op. Jezus sluit zich bij hem aan en hij voegt nog toe: stel je niet boven anderen en vergeet de armen, gebrekkigen, kreupelen, blinden niet.

Vorige week woensdag zat Trees op de Kunstmarkt in het Centrum. Zij was bezig een steen in de vorm van een vogeltje glad te schuren, telkens met fijner schuurpapier en eindeloos geduld, totdat het helemaal glad gepolijst was. Op er aan mensen veel te schuren valt om hun twee Janusgezichten bij elkaar te brengen, vraag ik me wel eens af. Maar ik denk wel dat de levenservaring, alles wat je meemaakt, wat je toevalt en overkomt, jou gaandeweg polijst tot wie jij eigenlijk bent.

Multatuli vertelt in zijn Max Havelaar een prachtig verhaal: de parabel van de Japanse steenhouwer. Ik vond het in een bewerking van René Hornikx  (Een huis vol verhalen, p. 187):

“Er was eens een man die stenen kapte uit een rots. hij vond zijn werk veel te zwaar en ondergewaardeerd. Hij droomde dat hij rijk en belangrijk was. En plotseling was hij rijk en belangrijk.

Zo stond hij langs de weg toen er een koning voorbij kwam, gezeten in een prachtige koets. ‘Was ik maar koning’, dacht hij, ‘dat zou nog mooier zijn.’ En tevreden was hij niet.

Toen opeens was hij koning. Met veel ruiters en paarden reed hij in een gouden koets door zijn rijk. Maar de koning begon te klagen over de hete zon die zijn gezicht schroeide. En tevreden was hij niet. Hij zuchtte en dacht: ‘Was ik de zon maar.’ En hij had deze woorden nog niet gezegd of hij was de zon. Nu strooide hij zijn gouden stralen over de aarde.

Totdat er een wolk kwam die zijn stralen tegenhield. ‘Ik wou dat ik zo machtig was als die wolken’, dacht hij ontevreden. En zo werd hij een wolk en kon hij de stralen van de zon opvangen en breken. Maar de wolk viel in grote druppels naar de aarde en het water stroomde woest over het land. Alleen een rots bleek machtiger dan het water. Toen werd hij kwaad omdat de rots nog sterker was dan hij en tevreden was hij niet.

Hij wilde liever een rots zijn. En ook dat gebeurde. Maar toen kwam er een man met een scherpe beitel en grote hamer. Deze hakte in de rots om er stenen van te maken. Toen dacht de rots ontevreden: ‘Was ik die steenhouwer maar.’ En het gebeurde.

En elke dag deed de man zijn zware werk en was tevreden.”

 

PJ