Verbinding

5 juli 2020

Zacharia 9, 9-10, Romeinen 8, 9.11-13 en Matteüs 11, 25-30

Afgelopen donderdag was het 100 jaar geleden dat Pieter Wiegersma in Deurne werd geboren. Hij is vooral bekend van fraaie gebrandschilderde ramen, in de kerk van Liessel, maar ook in de St. Jozefkerk en de St. Willibrorduskerk in Deurne. En trouwens ook in de Sint Jan in Den Bosch. Maar hij was een veelzijdig kunstenaar. Toen in de jaren zestig steeds minder kerken werden gebouwd en er vanuit de parochies steeds minder opdrachten kwamen, bekwaamde hij zich in andere technieken, onder andere het ontwerpen van wandtapijten.

Enige tijd geleden kregen we een tapijt aangeboden dat in de Pauluskerk in Someren heeft gehangen. Het stelt Maria voor met op haar schoot het kindje Jezus. Het lijkt alsof Jezus een soort suikerspin in zijn hand heeft. Dat is geen knipoog naar de kermis van Zeilberg, Liessel en Helenaveen, die dit jaar toch door kunnen gaan, maar het is een spinrokken – zo vertelden mij de dames van de paramentengroep. Op een spinrokken wordt een bos vlas gestoken en vastgebonden. Daaruit wordt een draad gesponnen.

Maria wordt wel vaker met een spinnenwiel of spinrokken afgebeeld (o.a. op een van de grote ramen die vroeger in de Sint Jozefkerk hingen). Ik zie er een verwijzing in naar psalm 139 waarin die mooie zin staat: “Gij hebt mij geweven in de schoot van mijn moeder (…) Toen ik in het verborgene werd gevormd, mijn levensdraden in de schoot gevlochten werden, was mijn wezen voor U geen geheim.” Dat geldt voor elke mens. Allemaal zijn we geweven in de schoot van onze moeder, de schoot van de aarde, gevormd door God die als een Vader voor ons is. Kijkend naar het spinrokken op het wandtapijt, waaruit Jezus een draad trekt, dacht ik: al die losse eindjes uit de wirwar van draadjes worden voorzichtig uit de kluwen getrokken en in elkaar gedraaid tot een stevige draad. Samen zijn ze sterker dan elk apart.

Zo zouden we naar elkaar kunnen kijken. Ik proef ook in de lezingen van vandaag een oproep tot een grote openheid naar de ander en naar de verbondenheid met elkaar, wie we ook zijn.

“Jubel” en “zie”, roept God bij monde van de profeet Zacharia. Met jubelen en zingen moeten we nog voorzichtig zijn vanwege een eventueel risico van verspreiding van het coronavirus, maar kijken en zien, dat kan wel, zelfs van een afstand. Van Zacharia hoef je je blik niet te richten op strijd en macht, maar wel op deemoed en rechtvaardigheid: een koning op een ezeltje. Je kunt het als een voorafbeelding van Jezus zien, die op een ezel Jeruzalem binnentrekt terwijl de mensen juichen en hem tot koning willen kronen. Maar je kunt ook rondkijken en je afvragen: wie in mijn eigen omgeving lijkt op zo’n koning? Grote woorden, fanatieke protesten, gevechten, ze leiden af van waar het eigenlijk om gaat: de aandacht voor de ander, toenadering naar elkaar.

Paulus spreekt in zijn brief aan de Romeinen over zelfgenoegzaamheid. Als je genoeg hebt aan jezelf kun je niet openstaan voor een ander. Zelfzucht en zelfgenoegzaamheid zijn er nog genoeg. In het Eindhovens Dagblad stond woensdag een artikel over medisch historicus Manon Parry (ED 1 juli 2020). Zij zoekt naar overeenkomsten in de bestrijding van pandemieën door de geschiedenis heen. En haar conclusies zijn onthutsend: “We zouden van de geschiedenis moeten leren,” zegt ze, “maar dat doen we te weinig. We zijn veel te zelfgenoegzaam.” Bij elke epidemie of pandemie gaat het hetzelfde, “Eerst gebeurt er niks. Dan zeggen we, ach, het is niet zo erg. Dan: het is misschien wel erg, maar het kan hier bij ons niet gebeuren. Dan weigeren we lang er het label ‘pandemie’ op te plakken.” En ondertussen ontwikkelt en verspreidt het virus zich. En ook de reacties op wat ziektes aanrichten zijn door de tijd heen dezelfde: “Anderen krijgen de schuld. Vaak minderheden of buitenlanders, of andere landen”: de Chinezen, de Joden, homo’s, heksen, mensen met een andere huidskleur. En hoewel het probleem wereldwijd is, heeft elk land zijn eigen maatregelen, alsof de rest van de wereld niet bestaat.

Die zelfgenoegzaamheid proef ik ook in de commentaren in de media rond de protesten tegen racisme en discriminatie. Ieder heeft zijn eigen gelijk en zet daarmee de hakken in het zand, waardoor er geen enkele openheid is om überhaupt ergens over te spreken en van gedachten te wisselen en al helemaal niet om iets te veranderen. We zouden van de geschiedenis moeten leren… Maar dat doen we te weinig. Misschien uit angst, omdat we bang zijn in een toch al onzekere en soms bedreigende tijd, bang om zekerheden – soms schijnzekerheden – te verliezen. Het lijkt gemakkelijker dan maar de kop in het zand te steken en de problematiek te ontkennen.

In het evangelie nodigt Jezus uit tot de openheid die zo eigen is aan kinderen. Jongere kinderen kennen geen verschil in huidskleur of geaardheid. Het is geen belemmering om met elkaar om te gaan. Jezus plaatst de kinderen tegenover “wijzen en verstandigen” die het zouden moeten begrijpen, maar het niet doen of hun eigen wijsheid verkondigen en verheerlijken.

Met zo’n kinderlijke openheid kun je de lasten van anderen zien, erdoor bewogen worden en in beweging komen om ze zachtmoedig en nederig van hart mee te dragen en te verlichten.

Zoals Jezus dat heeft gedaan
en nog doet
als hij de draden van onze levens
voorzichtig ontwart uit de kluwen en samenbrengt.

 

PJ