Vergeven

15 september 2020

Jaar A, 24e zondag door het jaar, 13 september 2020
Sirach 27, 30; 28, 1-7, Romeinen 14, 7-9 en Matteüs 18, 21-35

Vandaag horen we hoe Petrus naar Jezus toekomt met de vraag: ‘Hoe vaak moet ik iemand vergeven?’ Hij geeft er meteen al een antwoord bij dat hij blijkbaar uit de Joodse wetten en traditie heeft afgeleid: zeven keer! Jezus’ reactie is verrassend: Vergeven is geen kwestie van berekening. Zeven keer 70 maal, dat is oneindig veel. Jezus pakt als het ware Petrus’ zijn meetlat af. Gods maatstaf is immer onmeetbaar groot.

Graag vertel ik over mijn ervaringen als bedrijfsadviseur waarin vergeven uiteindelijk een grote rol mocht spelen. Na mijn afstuderen als psycholoog begin jaren ’90 ben ik als adviseur vaak betrokken geweest bij problemen en conflicten binnen bedrijven en instellingen. Soms betrof het iets tussen directie en management of waren het medewerkers onderling die niet samen door één deur konden. Niet zelden ook waren het hele afdelingen die elkaar het licht in de ogen niet gunden. Onbegrijpelijk wanneer je beseft dat een organisatie met al zijn mensen, apparatuur, machines en processen toch uiteindelijk iets waardevols moet voortbrengen dat als dienst of product door klanten kan worden afgenomen.

Meestal waren mensen dat doel compleet uit het oog verloren en kwamen eigenlijk alleen nog naar het werk om hun collega een hak zetten. Wat begon als een verschil van inzicht of het zich verzetten tegen een besluit leidde niet zelden tot een situatie waarin mensen elkaar gevangen houden in een opeenvolging van schuld, verwijten en wrok. Meestal was de communicatie en daarmee de afstemming volledig gestopt. Zeker in familiebedrijven is dat een ramp voor de onderlinge verstandhouding.

Door gesprekken, het bijwonen van overleg en allerlei andere werkvormen gingen we dan aan de slag om de zaak weer in beweging te krijgen. Elkaars standpunten te begrijpen, tot de kern van de zaak komen. Schuld en wrok naar boven laten komen om ze niet onderhuids als een peelbrand te laten doorwoekeren.
Aan het eind van zo’n proces kwam ik vaak in een informele setting in gesprek met betrokkenen. Ze waren meestal blij dat ze verder konden, uit de ‘lock-down’ zogezegd van hun conflict. Er waren nieuwe werkafspraken gemaakt. De zaak kwam weer op de rit. Soms ook waren er rigoureuze maatregelen nodig om processen weer in gang te zetten. Mensen kregen ander werk of verloren hun baan. Soms bleven ze collectief volharden in hun gedrag en namen anderen de beslissing dat het anders moest: afdelingen werden opgeheven of het bedrijf ging ten gronde.

Niet zelden bleef er dan bij mensen een gevoel van onbehagen achter: ‘Ik snap waarom we deze beslissing hebben genomen en wat mijn eigen rol daarin is geweest. Het is een rechtvaardige oplossing. ‘Fijn dat we eruit zijn máár ik kan mijn collega of leidinggevende niet vergeven. Het blijft aan me vreten!’

In de eerste lezing uit het boek Jezus Sirach horen we kernachtig hoe wrok ons kan verteren. Hoe het ons kan verwijderen van de ander en van God. De onbekende schrijver van dit Bijbelboek vraagt zich af hoe mensen toch met wraak en gramschap kunnen blijven rondlopen. Hoe kun je om vergeving vragen wanneer je zelf anderen niet kunt vergeven. Denk aan het verbond met God – zo horen we – en vergeef anderen ruimhartig.

U snapt wel dat ik destijds niet met Bijbelcitaten aan kon komen. Ook het rationeel rechtvaardigen van de keuze voor de ene dan wel andere oplossing biedt geen soelaas. Dat is een gepasseerd station. Mensen willen vooruit met de ander en met zichzelf.

Jezus vertelt vandaag een absurde gelijkenis: hoe een schuldenaar zijn geleende geld kwijtgescholden krijgt na een emotioneel beroep op de koning. Tegelijkertijd perst hij iemand die hem een kleinigheid schuldig is tot de laatste druppel uit en laat hem zelfs gevangen zetten. Wanneer de koning dit hoort roept hij de man bij zich. ‘Vanuit medelijden heb ik jouw schuld kwijtgescholden. Waar is jouw medelijden gebleven?’. Het gaat er vervolgens niet zachtaardig aan toe: de man wordt uitgeleverd aan zijn beulen. ‘Een ieder die zijn broeder niet van harte vergiffenis schenkt zal het zelfde lot ondergaan’. Wat Jezus met zijn zeven keer 70 maal wil zeggen is: Als God zo mild en geduldig omgaat met onze schuld, waar halen wij dan zelf het lef vandaan om zo meedogenloos tegenover elkaar te staan?

Waar mensen elkaar niet vergeven gaan beide partijen eronder gebukt. Er wordt niemand beter van, wel verbitterd. Die beul waaraan we worden overgeleverd als we met haat en wraakgevoelens blijven zitten, dat zijn we zelf. Aan hem of haar kunnen we nauwelijks ontsnappen. Het verwijt is er altijd. De drang om er iets aan te doen ook. Het kost ons energie ons er tegen te verzetten. Niet zelden worden we er ziek van. Zoals een van mijn gesprekspartners destijds zei: ‘Het vreet me van binnen op! Ik heb eigenhandig een gevangenis gebouwd waar ik niet meer uit kom.’ Dat levert verbitterde en cynische mensen op die ook buiten de conflictsituatie geen leven meer hebben.

Wanneer we ons bewust zijn van onze eigen kleinheid, zonde en gebreken, wanneer we ons realiseren dat er nog veel aan onszelf mankeert en tegelijkertijd geloven dat God ons liefheeft en nooit iemand afschrijft, kunnen we vergeven met geheel ons hart. Dan kunnen we eerst tot tien tellen voor we kwaad worden op een ander en op onszelf. Dan gaat ons vergeven verder dan zeven keer zeventig maal. Dan verdrijven we de beul uit ons hoofd die ons tot het kwade drijft.

Jezus leerde ons Zijn gebed tot de Vader met daarin de woorden: ‘…en vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren’. Hij maakte het daarmee tot de kern van ons leerlingschap. Wij mogen leren wat vergeving is vanuit onze eigen kleinheid. We mogen heel maken wat gebroken is. Vergeven om verder te leven.

 

BJ