Vrede was het overal…

25 december 2019

Kerstmis 2019, 24 e 25 december 2019
Jesaja 9, 1-3.5-6 en Lucas 2, 1-14

Een korenveld vol klaprozen. Ik zag op Facebook enkele kunstenaars bezig in de velden bij de molen van Vlierden om dat prachtige natuurwonder vast te leggen in verftoetsen. Dat is het! dacht ik. Een prachtig beeld bij Kerstmis èn bij de herdenking van 75 jaar bevrijding. Vrede vieren we dit jaar om het einde van de Tweede Wereldoorlog, vrede vieren we bij de geboorte van het kerstkind.

Klaprozen zijn eigenlijk een symbool voor de Eerste Wereldoorlog, de ‘Grote Oorlog’ zoals die in andere landen wordt genoemd. Tussen de loopgraven in Vlaanderen groeiden op de in de harde strijd omgewoelde akkers ontelbare klaprozen. Duizenden en duizenden lieten daar het leven in afschuwelijke en onmenselijke omstandigheden. Die Grote Oorlog is aan Nederland goeddeels voorbij gegaan, maar ook de Tweede Wereldoorlog was groot. En nog altijd woeden er overal ter wereld grote gevechten, die onbegrijpelijk en niet te vatten zijn, die je soms bang kunnen maken: zal het vrede blijven? Kunnen onze kinderen en kleinkinderen later nog wel in vrede leven?

Ik meen dat de klaproos als vredessymbool daarom ook een teken kan zijn voor de gevallenen van de laatste oorlog en van alle oorlogen die daarna volgden. Want 75 jaar geleden moest de strijd in de voormalige koloniën van Indië en Nieuw Guinea nog beginnen. Maar ze duurt voort in de harten van de jongens van toen, mannen op leeftijd nu. Met ontroering keek ik naar de serie “Onze jongens op Java”, waar veteranen vaak voor het eerst vertelden over wat ze hebben meegemaakt. De blik in hun ogen en de stilte tussen de regels zei vaak meer dan de woorden die ze spraken…

Emelie Jegerings, Jolanda Tielens en Catharina Driessen stelden graag hun schilderijen beschikbaar en maakten er nog wat kleinere bij, en het Boeren-bondsmuseum in Gemert en bakkerij Van Ham schonken enkele schoven, om er een korenveld mee te creëren, waarmee de beelden van de kerstgroep van de St. Willibrorduskerk in Deurne dit jaar omgeven zijn. Een ogenschijnlijk vredig tafereel, vooral als de meer dan tweeduizend kerstlichtjes door de aren glinsteren. Even vredig als Kerstmis lijkt, zeker in de romantische versie die we doorgaans horen of in de klatergouden glitterglamour die Chateau Meiland of andere programma’s van het Kerstfeest maken.

Maar de basis van Kerstmis vormt het bijbelse kerstverhaal en dat is in wezen een hard verhaal. Het gaat over een kind dat in een stal wordt geboren. Daar is niets idyllisch aan. Kinderen horen niet in een stal. Ook niet in een kippenhok, zoals in de oorlog Joodse vluchtelingen ondergedoken zaten in een kippenhok in Zeilberg. Voor één van hen, een jongen van zestien, kwam zelfs die stal te laat. Hij werd een dag voordat zijn gezin en nog een andere familie er naar toe konden vermoord door degenen die beloofd hadden hem te redden. Het kerstverhaal is ook een verhaal van een jong gezin op de vlucht, vader, moeder en een kind, die voor hun leven moeten vrezen omdat de machthebbers in hen een bedreiging zien, hen liever kwijt dan rijk zijn. Het is een verhaal van alle tijden, want nog altijd zijn er mensen op de vlucht; voelen mensen zich niet erkend of tekort gedaan; worden mensen onderdrukt, vernederd, misbruikt, bedreigd; nog altijd hebben mensen te maken met geweld en oorlog, verlaten ze huis en haard op zoek naar warmte en veiligheid die er al te vaak op een andere plek ook niet blijkt te zijn.

Het kerstkind in de St. Willibrorduskerk ligt niet in een kribbe, maar in een koffertje. We mochten het lenen van Museum Oorlog en co van Wils Verberne uit Vlierden. Het is het koffertje van die Joodse jongen, Erwin Michael Joseph, die op 16 september 1942 vlakbij de Schooteindhoeve in de bossen van de Bikkels om het leven kwam. Met enige schroom heb ik in dat koffertje het kindje – ook een Joods kind – gelegd. Die schroom komt vooral voort uit wat Hanneke Verberne vertelde, dat de jongen niet op het katholieke kerkhof begraven mocht worden, tenzij achter de muur, zoals dat met iedereen die niet gedoopt was gebeurde. Dat deed – beseffen we nu maar al te goed – geen recht aan hun bestaan. Voor Michael week men uit naar de Protestantse begraafplaats, waar hij nu nog ligt, op een stukje dat sinds 25 jaar officieel een Joodse begraafplaats is.

De baby in het koffertje ligt op een bedje van witte anjers. Die groeien niet op een korenveld. Maar ze zijn wel een blijk van respect voor allen die zich inzetten en soms hun leven geven voor vrede en vrijheid.

Dood en leven liggen dicht bij elkaar, zoals donker en licht, verdriet en vreugde, oorlog en vrede. Maar wat er ook gebeurt, de klaprozen tieren welig tussen het wuivende koren en kinderen worden geboren. En hoe donker de nacht ook is, hoe moeilijk de omstandigheden, elk kind is een bron van vrede en hoop, dat ooit alles goed komt.

Daarom vieren we elk jaar Kerstmis, komen we bij elkaar
om oude liedjes te zingen
– hoe romantisch ook –,
om het kerstverhaal te horen
– al klinkt het soms onwerkelijk –,
om te kijken naar de beelden van Maria, Jozef en het kindje Jezus
en allen die bij hen op bezoek komen
– weg te zwijmelen bij de aanblik van een pasgeboren kind –,
om – met zovelen samen – onszelf en elkaar
vertrouwen en moed in te spreken, te zingen, te bidden,
dat er ooit vrede zal zijn op aarde en in onszelf.

Zalig Kerstmis!

 

PJ