Waar hemel en aarde elkaar raken

26 december 2018

Kerstoverweging 2018 bij Genesis 28, 10-21 en Lucas 2, 1-14
De Jakobsladder en het Kerstverhaal

Ze houden stil bij het kruis in de kloostertuin van de paters van Asten, kijken naar de stenen die erbij liggen. Ze zijn niet de eersten. Niemand zegt iets. Ze halen uit hun jas of rugzak de steen die ze zelf hebben meegedragen tijdens hun pelgrimstocht van één dag. Om de beurt leggen ze die bij de andere stenen. De ene steen is fors en zwaar, de ander een kiezel met mooie lijnen en kleuren. Op een aantal staan woorden, als een antwoord op de vraag die ze meekregen: Waar heb je moeite mee? of: Welke last zou je liever kwijt zijn? Woorden die doorgaans grote verhalen met zich mee dragen, die al dan niet eerder op die dag onderweg uitgesproken werden in een sfeer van vertrouwen, wandelend met je medepelgrims. Als Harry Keijsers vertelt over de pelgrimstochten die hij organiseert voor schoolgroepen, dan raakt hij meteen ontroerd bij dit moment dat verwijst naar het Cruz de Ferro op de weg naar Santiago de Compostella, waar pelgrims hun last in de vorm van een steen achterlaten. En als ik naar hem luister, krijg ik kippenvel. Hier gebeurt iets bijzonders.

Ik vind het heel speciaal dat al die stenen samen met het kruis dit jaar bij de kerstgroep hier in de kerk mogen liggen en staan. Vanwege de aanstaande verhuizing van de paters krijgen ze na de kerst een nieuwe plaats bij de zusters in Asten. Zo kunnen ze tussendoor even een uitstapje naar Deurne maken. Ik vond wat zij uitstralen passen bij het thema dat ik dit jaar heb gekozen: de Jakobsladder, als spiegelverhaal van de vertrouwde bijbelse kerstvertelling.

Jakob legt zijn hoofd op een steen, om te rusten. Wanneer hij een dag later verder trekt, laat hij de steen achter als een monument voor, een herinnering aan die bijzondere droom van engelen die op en neer gaan tussen hemel en aarde. Ook Jakob heeft heel wat aan last meegesjouwd op zijn tocht: een vlucht weg van zijn familie en vooral weg van zijn broer en vader die hij bedrogen heeft. Hij kan niet meer terug. Ooit misschien wel, maar nu niet. Daar in Betel gebeurt iets bijzonders, dat lijkt op wat in de velden van Betlehem zoveel jaren later geschiedt.

Onlangs lazen de vormelingen in Neerkant elkaar het verhaal van Jakob voor. Een van hen las ‘Betlehem’ in plaats van ‘Bethel’. Een mooie verspreking die voor mij onverwacht de relatie bevestigde tussen die twee plaatsen en die twee verhalen. ‘Bethel’ betekent ‘huis van God’, ‘Betlehem’: ‘huis van brood’. Twee mooie namen, vol vertrouwen, vol hoop, vol toekomst. Hier raken hemel en aarde elkaar.

Jakob voelt dat God hem heel nabij is. Zo voelen ook de herders het op de velden van Betlehem. Ze worden vaak voorgesteld als stoere, bonkige types, ruige kerels, buitenstaanders, die niet graag in het dorp komen, en er ook liever niet worden gezien. Ze leven in en van de natuur aan de rafelranden van de samenleving. Anderen vertellen dat die herders geen volwassenen zijn, maar kinderen, herdersjongens, zoals ooit David op diezelfde velden van Betlehem, die als een hond achter de schapen aan gaan, proberen ze bij elkaar te houden, stenen slingeren waarmee ze wilde dieren op afstand houden en tegen de avond de kudde weer veilig terug in de stal brengen. En tussendoor vervelen ze zich stierlijk, halen kattenkwaad uit met de andere herderskinderen, juichen als de meisjes wat brood en water komen brengen. Dat klinkt idyllisch, maar dat is het zeker niet. Misschien benadrukt de evangelist Lucas de ruwheid en hardheid van het herdersbestaan bewust in zijn kerstverhaal als hij die herdertjes bij nachte nog op de velden van Betlehem laat rondzwerven, terwijl ze natuurlijk allang thuis hadden moeten zijn. De geboorte van het kerstkind, de Redder, gebeurt niet in het centrum van de macht, in de buurt van keizer en koning, maar ergens onbeduidend achteraf. Kerstmis wordt niet zichtbaar bij mensen die alles denken te weten of menen te moeten oordelen over het lot van anderen, maar aan eenvoudige kinderen, onbevangen nog en open, maar soms ook al getekend door wat ze in hun jonge leven al hebben meegemaakt. Zoals Jakob, zoals die kinderen bij het Cruz de Ferro in Asten. Kerstmis gebeurt niet in het licht, maar in het donker.

Juist daar, in de uitzichtloosheid van hun leven, op de puinhopen van het bestaan, in het diepe donker begint er iets nieuws. De herders weten niet wat hen overkomt. Ze knijpen elkaar even in de arm: droom ik? Maar het is geen droom. Ze worden “omstraald door de glorie des Heren”. Ik stel het me voor als een heldere lichtbundel van de zon die je wel eens door de donkere wolken ziet schijnen en die niet voor niets ook Jakobsladder genoemd wordt. Engelen komen en gaan. De herders zien het en horen wat de engel tot hen zegt: “Heden is u een Redder geboren… vrede onder de mensen…” Daarin klinkt de echo van de woorden die Jakob in zijn droom hoorde: “Ik zal bij je zijn. Ik zal je beschermen, overal waar je heen gaat… Ik blijf bij je…”

Het laat de herders niet onbewogen. Ze komen in beweging, laten de stenen op hun hart achter zich. Het pasgeboren kind geeft hun leven een nieuwe wending.
Het laat Jakob niet onbewogen. Hij kan weer verder, bemoedigd, gesterkt.
Het laat de kinderen op pelgrimstocht niet onbewogen. En hun begeleiders ook niet. Ze krijgen iets mee wat ze niet kunnen vatten. Zelf zullen ze het doorgaans niet zo noemen, maar het zou zomaar kunnen dat ze daar iets van Gods nabijheid ervaren.

Ik hoop en wens u en mij toe dat ook wij niet onbewogen blijven, dat je als het leven je zwaar valt, ergens in het verborgene en onverwacht een plaats, een moment, een mens, een engel mag ontmoeten die je bevrijdt van de lasten die je meedraagt, die je laat voelen dat hemel en aarde elkaar raken, dat een nieuw begin, een nieuwe geboorte mogelijk is. Zalig Kerstmis !

PJ