Wat heb jij gezien?

5 april 2021

Pasen, april 2021
Johannes 20, 1-18

Wat heb jij gezien, Maria?

Jij was er het eerst. Niet Petrus of de andere apostelen. Nee, jij, Maria Magdalena, kwam het eerst bij het graf. En jij bent de eerste die de verrezen Heer ontmoette. Niet voor niets word je apostel van de apostelen genoemd, of eerste apostel. Een eretitel voor een vrouw die trouw en kordaat met Jezus meeging.

Er werd ook wel eens anders, minachtend over jou gedacht en gesproken. Jij paste niet in de mannelijke cultuur van de kerkelijke traditie. Je werd – onterecht – weggezet als hoer, lichtekooi, door de duivel bezeten. Maar jij behoort tot een groep vrouwen rond Jezus die met hem meetrokken, voor hem zorgden en het leven met hem deelden. Zoals de mannen – leerlingen, vrienden, apostelen worden zij genoemd –, dat deden. Waren jullie, vrouwen niet evengoed leerling, vriendin, apostel? Vrouwen die – anders dan de twaalf vrienden – Jezus niet in de steek lieten. Jullie stonden onder het kruis, hebben hem mee begraven, jullie gingen op die vroege paasdag naar het graf om zijn dode lichaam te balsemen en bij hem te rouwen.

Wat heb jij gezien, Maria?

In eerste instantie niets, zo vertellen de evangelisten. Het graf was open, en Jezus lag er niet meer. Dat moet een schok geweest zijn. Ik weet hoeveel pijn het kan doen als bloemen of voorwerpen van een graf gestolen worden. Dat doet zoveel verdriet. Als dan ook nog het lichaam geroofd is…, dat wat je het meest dierbaar is… Wat gaat er dan door je heen?

Enkele evangelisten schrijven over een engel, of zelfs twee, die daar zaten en vertelden, dat Jezus hier niet meer is, maar leeft. Dat is onvoorstelbaar. Je kunt het je niet voorstellen. Woorden schieten tekort. En tranen vertroebelden jouw zicht.

Wat heb jij gezien, Maria?

Opeens was daar die tuinman – tenminste, dat dacht je –. Misschien wist hij wat er gebeurd was. Pas toen Hij jouw naam noemde, Maria, herkende je hem: het was Jezus zelf. Je klampte je aan hem vast. Was het dan toch een nachtmerrie die met het wakker worden weer voorbij is?

Jezus’ reactie komt wat bot over. “Houd me niet vast!” Of beter vertaald: “Raak me niet aan!” Dat is in de traditie meer dan eens zó uitgelegd: dat jij als zondares – boetvaardig, maar wel zondares – er nog niet klaar voor zou zijn om Jezus’ opstanding te ervaren. Maar wat is zonde? En wie bepaalt dat? Was het niet veel eerder dat jij je eigen weg durfde te gaan, strijdbaar, dapper genoeg om eigen keuzes te maken. Zoals die religieuze die neerknielde op de straat in Myamar om de gewapende politie tegen te houden. Zij bad met en voor hen. Een enkele agent knielde neer. Of zoals de meisjes en vrouwen in Afghanistan, die op sociale media filmpjes postten waarin ze hun favoriete liederen zongen, als protest tegen een decreet van hogerhand dat meisjes van twaalf en ouder niet mogen zingen.

‘Houd me niet vast’ klinkt in deze tijd van ernstige beperkingen nog eens extra wrang. Terwijl we al meer dan een jaar afstand moeten houden, snakken we naar aanraking, een hand, een kus, een knuffel, echt contact. Als de aanraking wegvalt, voel je des te meer je eigen eenzaamheid. Aanraken, elkaar vasthouden is van levensbelang.

Jezus moet wel iets anders bedoeld hebben. De liefde waarvan Hij getuigt en die Hij voorleeft is juist gebaseerd op de innige band van mensen met elkaar en met God. Elkaar niet uit het oog verliezen, een luisterend oor bieden, de ander welkom heten, te eten geven, het leven delen in alles wat ons toevalt, in alles wat ons overkomt.

Maar je kunt verbondenheid niet claimen, opeisen, voor je zelf houden. Soms moet je loslaten, om anders te leren vasthouden, zoals ouders hun kinderen op zekere dag los moeten laten, vrij moeten laten om zichzelf te kunnen zijn. Jij Maria, mocht Jezus niet vasthouden. Hij moest zijn weg gaan, door de dood heen, door het afscheid heen, maar wel op naar het leven. Dat vroeg hij jou om te doen: hem vrij te laten, als een vredesduif die je oplaat, zoals paus Franciscus onlangs deed bij de ruïnes van Mosul. Met gebalde vuisten maak je geen vrede, met open handen wel.

Misschien daarom wel viel mijn oog op een beeld dat kunstenaar Theo Spaaij onlangs maakte van een mens en een duif. “the gift of peace” heet het. Het geschenk van vrede”. Het is een beeld in afwachting, de duif fladdert met haar vleugels, slaat ze nog net niet uit, maar de mens aarzelt nog, zijn ogen gesloten, de jouwe neergeslagen, Maria. Even nog, om ze dan te openen en de wereld aan te zien en in te gaan.

Zoals jij, Maria,
die het als eerste hebt gezien:
het begin, het geschenk van Pasen.

 

PJ

Schilderij: “Maria Magdalena”, Lizzy Geurts van Kessel
Beeld: “The gift of peace”, Theo Spaaij, 2021
Teksten mede geïnspireerd op tijdschrift Vieren “Maria Magdalena: veelkleurig”, 01-2021