En toen ?

11 oktober 2020

Jaar A, 28e zondag door het jaar, 11 oktober 2020
Jesjaja 25, 6-10a, Filippenzen 4, 12-14.19-20 en Matteüs 22, 1-14

Deze week is het Kinderboekenweek. En zoals elk jaar wordt dan het kind in mij wakker, benieuwd naar het kinderboekenweekgeschenk. Goede kinderboeken zijn zeker niet kinderachtig. Schrijven voor kinderen dwingt de auteur om niet alleen origineel en leuk een verhaal te presenteren, maar ook de boodschap kernachtig te verwoorden of te verbeelden.

Het thema van de Kinderboekenweek is dit jaar “En toen?” Dit jaar viel Arend van Dam de eer te beurt om het geschenk samen te stellen (De diamant van Banjarmasin). Hij maakte er een kleine optocht van door een lange geschiedenis van komen en gaan. Een van de mensen in die stoet is Amalia van Solms. Geboren in een arme adellijke familie trouwde zij uiteindelijk met stadhouder Frederik Hendrik. Hun zoon Willem werd genoemd naar opa Willem van Oranje.

Amalia wilde graag een schilderij van haar zelf, dat naast dat van haar man zou kunnen hangen. Ze gaf Rembrandt van Rijn de opdracht, die haar kundig schilderde zoals zij was. Maar Amalia was niet blij met het resultaat. Ze vroeg een andere schilder het opnieuw te schilderen. Arend van Dam laat haar dan zeggen: “Het hoeft niet precies te zijn zoals ik ben, maar liever zoals ik graag wil zijn.” Verderop in het verhaal vraagt Rembrandt aan een collega of hij iets verkeerd heeft gedaan, omdat hij geen opdrachten meer krijgt van de Oranjes. Hij krijgt als antwoord: “Een schilder moet eerlijk zijn, maar hij mag de werkelijkheid soms best wat mooier maken. Mensen houden van bijzondere verhalen, maar ze willen niet altijd de waarheid horen.” “Je hebt gelijk,” zegt Rembrandt. “Met verf kun je net zo hard liegen als met woorden.”

Jezus maakt het in zijn evangelie niet mooier dan het is. Integendeel. Hij vertelt een prachtig verhaal: waar de officiële gasten het laten afweten, wordt iedereen op straat uitgenodigd voor het feest. Maar het deel dat in ons boekje tussen haakjes staat, had hij van mij best weg mogen laten. En de regels over de wraak van de koning hoeven van mij ook niet. Maar schilder ik daarmee het verhaal niet mooier dan Jezus het bedoelt?

Zijn boodschap over het Rijk der hemelen, de hemel op aarde die we zelf kunnen bouwen, is een ongemakkelijke. Want hoe fanatiek zijn we aan het bouwen aan dat “Rijk van God”, die wereld van mensen? Hoeveel eigenlijke en oneigenlijke excuses heb ik klaarliggen om niet de consequenties te nemen die nodig zijn om ons samenleven respectvoller, waardiger te maken? Hoe vaak kijk ik liever de andere kant op? “Mensen houden van mooie verhalen, maar ze willen niet altijd de waarheid horen….”

Paus Franciscus presenteerde vorige week zijn encycliek “Fratelli tutti”, allen broeders en zusters. Hij gaat daarin als het ware naar alle kruispunten van de wegen om iedereen wereldwijd aan te spreken en uit te nodigen om mee te bouwen aan zijn droom: de hemel op aarde, met de kwetsbaarheid van de mens als uitgangspunt. De encycliek beklemtoont, in het verlengde van de vorige encycliek ‘Laudato si’’, dat allen met allen verbonden zijn en alles met alles, en dat de toekomst van onze planeet, ons gemeenschappelijk huis, afhangt van de mate waarin wij die woorden serieus nemen en ernaar handelen.

Paul van Geest, hoogleraar kerkgeschiedenis zei in Trouw (5 oktober 2020, Lodewijk Drost, Paus Franciscus schuwt de confrontatie niet): “Nooit eerder is de katholieke sociale leer zo radicaal verwoord. Maar als je er het etiket ‘links’ op plakt, dan negeer je de oproep om iedereen als familie te zien. En dat is een oerchristelijke gedachte.” De paus “redeneert niet van uit de ‘haves’, de rijken, maar vanuit de ‘have-nots’. Omdat ze samen wereldwijd één gezin vormen, allemaal kinderen van God, hebben ze voor elkaar te zorgen. Broederschap is rechtvaardigheid. Politici zijn er niet om de belangen van hun land te dienen en grenzen te bewaken, maar voor de charitas, de zorg voor wie het slecht getroffen heeft.” Dat heeft vergaande consequenties, niet alleen voor politici, maar voor iedereen.

De vraag is, in het licht van het evangelie van vandaag: ben ik, zijn wij, gekleed om zo het feest van alle mensen samen te vieren? Hoe laten wij ons, onze wereld en ons samenleven afschilderen? Kijken we de andere kant op of zien we de ander in zijn of haar ogen en laten we ons door hen raken? Doen we alsof er niets aan de hand is, of trekken we het lot van de aarde en haar bewoners aan? Stellen we de wereld en ons samenleven mooier voor dan ze zijn, zoals Amalia van Solms zich liever wat mooier liet schilderen dan zij eigenlijk was. Of kijken we in de spiegel en gaan we samen op weg, wat die weg ook zal zijn?

Ik ben er voor mezelf nog niet uit. Ik huiver ervoor om mijn veilige eigen gelijk los te laten, maar ik wil ook graag mee dromen met paus Franciscus, die zegt: “Laten we dus dromen als een enkele mensenfamilie, als medereizigers die hetzelfde vlees en bloed delen, als kinderen van dezelfde aarde die ons gemeenschappelijke huis is, waarbij ieder van ons de rijkdom van zijn of haar geloof of overtuigingen inbrengt, ieder van ons met zijn of haar eigen stem, allemaal broers en zussen.”

Het zijn grote woorden, te groot misschien om als kleine mens te bevatten en er iets mee te doen. De paus ziet dat ook. Hij maakt het heel concreet en wijst op de waarde van gebaren van vriendelijkheid, dank je wel zeggen of mensen groeten. Ik las het terug in een prachtig gedicht van Rennie van Windt met titel “Wederzijds”, een droom die hopelijk ooit werkelijkheid wordt:

“Iemands armen
beschermend, troostend om je heen,
iemand die zich veilig voelt bij jou,
veel meer hoeft niet.”

 

PJ