Wie ben ik ?

19 juni 2016

Jaar C, 12e zondag door het jaar, 19 juni 2016
Zacharia 12, 10-11, Galaten 3, 26-29 en Lucas 9, 18-24

De bekende Deurnese psychiater Anna Terruwe heeft in de 60er en 70er jaren van de vorige eeuw grote bekendheid gekregen, tot in het Vaticaan, met haar bevestigingstheorie. Waarom bevestigen wij als mensen elkaar niet wat meer, vroeg ze zich af. Alleen als iemand iets verkeerd doet, zeggen we er wat van. Onze pastoor vertelde in de ontmoeting met bisschop de Korte dat hij 23 jaar voor ons bisdom werkt en dat hij in die 23 jaar nauwelijks een compliment van het bisdom heeft ontvangen. Onze nieuwe bisschop luisterde hiernaar en herkende het belang van de bevestiging en hij maakt een aantekening hiervan.
Heel simpel: “ik weet iets goeds van jou. Moet u eens kijken wat er gebeurt met mensen wanneer ze gekend en gewaardeerd worden om wie ze zijn.

De komende weken zullen we in kranten en weekbladen waarschijnlijk weer verschillende artikeltjes kunnen lezen over onderwijsmensen die na 40 jaar of meer gewerkt te hebben vaarwel zeggen tegen hun werk. Bij ons op school gaat dat ook gebeuren: de conciërge en de directeur nemen afscheid. De nieuwe periode die aanbreekt gaan ze verwachtingsvol maar ook met spanning tegemoet.

Van de ene dag op de andere raak je een stukje van je identiteit kwijt.
Je ontdekt dat het leraar zijn, het directeur zijn, het conciërge zijn (en zo kunnen we alle beroepsgroepen noemen) niet is wie je bent, maar dat dat slechts een tijdelijke rol is. En het is niet vreemd wanneer mensen zich dan de vraag stellen Wie ben ik eigenlijk? Een pensioen brengt sommigen in een identiteitscrisis – om een groot woord te gebruiken. Wie ben ik zelf, buiten het stempel dat anderen op me gedrukt hebben? Wie ben ik?

Bij de voorbereiding van deze overweging las ik over een vluchteling na de oorlog. Die had een eigen zaak gehad in een kleine Duitse stad. Hij was getrouwd en vader geweest. Plotseling had hij halsoverkop moeten vluchten. De stad was gebombardeerd. Zijn huis vernietigd. Vrouw en kinderen vermist. Nu leefde hij als naamloze vluchteling in een kamp, ergens in een vreemd land. Wie was hij nou? Wat was er van hem over? Ontslag, ziekte, scheiding, de hoofdprijs, verliefdheid, het kan je doen wankelen en je identiteit in een crisis brengen.

Grote filosofen hebben erover geschreven. Een mens is eigenlijk niemand. Een aap is een aap en een koe is een koe; maar een mens? Een mens kan van alles zijn en van alles worden. Hij is geen voldongen feit maar open kansen. Hij moet zich nog maken.

Tegen deze achtergrond trof mij het evangelie. Jezus vraagt: ‘Wie ben ik?’ Hij lijkt in een identiteitscrisis. Of speelt hij het ons voor? Juist deze vraag van Jezus is prachtig in beeld gebracht door de Griendtsveense kunstenaar Jan Althuizen te zien bij de expositie ‘Reflectie’ in de St. Willibrorduskerk in Deurne. ‘Wie vinden de mensen dat ik ben? Wie vinden jullie dat ik ben?’

Jezus’ vraag levert hem een serie prachtige titels op: ‘Een Elia ben je.’ ‘Een soort Johannes de Doper.’ ‘In elk geval een Messias, een gezalfde van God!’ Wat mij treft in dit voorval, is het moment waarop Jezus de vraag stelt. Hij doet het, als hij net ontwaakt uit een gebed. Lukas noteert: ‘Toen Jezus aan het bidden was, kwamen zijn leerlingen bij Hem en Hij vroeg hun: wie zeggen ze dat Ik ben?’ In het gebed worstelt Jezus met zijn identiteit: wie ben ik? Waarom leef ik? Waartoe ben ik op aarde? Biddend zoekt hij het antwoord.

Een trotse opa zat over zijn kleindochter op te scheppen. Ze was amper vijf jaar. Ze had een tijdje naar haar rechterhand zitten staren en de vingertjes gespreid. Toen had ze gewezen naar de lege plek tussen duim en wijsvinger: ‘Waarom zit daar geen vinger?’, had ze gevraagd. De ouders wisten het niet. ‘Waarom zijn er eigenlijk mensen?’ was haar volgende probleem. Haar moeder was psychologe. Zij schoot toe en stelde de psychologenvraag: ‘Wat denk je zelf?’ ‘Ik denk’, zei de kleindochter zonder aarzelen, ‘dat de mensen er zijn voor de zieke vogeltjes en dieren.’ Ze had besloten dierendokter te worden. Daarvoor was ze op aarde. Dat was háár gebed, haar verbond met God: de schepping herstellen, de zwakkeren steunen…

Jezus had vernomen dat zijn vriend Jan de Doper was omgebracht en hij vreesde voor zijn toekomst. ‘Wie ben ik? Wat staat me te doen? Waartoe ben ik aarde?’ En aan ons de vraag of wij – in wie wij willen zijn – de keuzes die Jezus in zijn leven maakte, richtinggevend willen en kunnen maken.

 

KK