Witte aren

19 juli 2020

Jaar A, 16e zondag door het jaar, 19 juli 2020
Matteüs 13, 24-43

Iemand die goed zaad zaait, een vijand die stiekem onkruid ertussen zaait. En een baas die dan zegt: laat ze samen opgroeien, want als je het onkruid uittrekt, neem je ook het goede graan mee. Pas bij de oogst is het tijd om het goede van het kwade te scheiden.

Ik moet de hele week al denken aan de velden van Srebrenica. Van de 8373 mannen en jongens die vermoord werden door de Bosnisch-Servische troepen zijn er zo’n 7000 teruggevonden en in de buurt, in Potočari, begraven. Nog elk jaar worden nieuwe massagraven ontdekt, gestorvenen geïdentificeerd en krijgen familieleden de gelegenheid om hun doden eindelijk op een waardige manier te begraven. En elk jaar wachten families nog of hun vader, zoon, opa, oom gevonden zal worden. En dat al 25 jaar lang. De duizenden grafstenen steken als witte aren uit de met gras bedekte bodem.

Het onkruid is gewied – een aantal daders voor een tribunaal gebracht en veroordeeld. Maar dat neemt de pijn niet weg van de nabestaanden en ook niet het knagende schuldgevoel of het gevoel van gruwelijke machteloosheid van de Nederlandse militairen die niet toegerust waren om hun opdracht uit te voeren: de enclave en de mensen die er hun toevlucht zochten te beschermen. Zij hadden toen nauwelijks erg in wat er gebeurde, maar het besef van falen naderhand was des te groter.

Net als bij elke herdenking waar en wanneer ook, klonk ook nu uit de mond van hoogwaardigheidsbekleders die de wereld regeren de oproep om te leren uit wat er is gepasseerd; en dat zoiets nooit meer mag gebeuren. Maar de wereld keek weg 25 jaar geleden. Heeft zij, hebben wij er iets van geleerd? Ik betwijfel het soms.

Elke keer is er weer nieuw onkruid dat opgroeit tussen het graan en dood en verderf zaait. Zes jaar geleden, op 17 juli 2014, was de aanslag op vlucht MH17, waarbij 298 onschuldige mensen omkwamen, 193 met de Nederlandse nationaliteit. Onder hen het gezin Wals-Martens uit Neerkant. Voor elk van de slachtoffers is er een boom geplant tussen de velden met zonnebloemen bij het Nationaal Monument in de buurt van Schiphol. Het blijft een open wond. Tot op de dag van vandaag heeft niemand het lef om de verantwoordelijkheid voor de aanslag op zich te nemen, geen land, geen regering, geen militairen. De wereld kijkt weg. Het onkruid laat zich niet wieden. Het proces zal een zaak van lange adem zijn met een onzekere uitkomst. Hoe het oordeel ook zal zijn, de pijn en het gemis blijven.

“Srebrenica zal nooit een gesloten boek zijn,” zei premier Rutte. En ook het boek van MH17 zal nooit gesloten worden.

Gisteren was nog een – voor mij – memorabele herdenking. Het was 25 jaar geleden dat in Den Bosch plebaan Gerrit van de Camp stierf. Ik woonde in die tijd bij hem op de plebanie aan de Parade naast de Sint Jan. Bij hem mocht ik mijn eerste stappen zetten op weg naar het priesterschap. Zijn lijfspreuk was: “Gij die mij ruimte geeft”, een regel uit Psalm 4 in de vertaling van Huub Oosterhuis en Michel van der Plas. (Een fraaie uitvoering hiervan, gecomponeerd door Maurice Pirenne en gezongen door de Schola Cantorum, staat op Youtube). Een kort fragment:

“Geef mij toch antwoord
als ik U aanroep, God.
Gij zijt mijn waarheid,
Gij die mij ruimte geeft
als ik benauwd ben –
wees mij genadig,
hoor mijn gebed.”

“Gij die mij ruimte geeft”… Als God ons ruimte geeft, mogen we ook elkaar ruimte geven. Dat is een van de belangrijke richtingwijzers van christen zijn, van mens zijn: niet wegkijken, maar elkaar ruimte geven: elkaar accepteren, respecteren, elkaar het leven gunnen, elkaar helpen en bemoedigen. Marius de Leeuw verbeeldde die levenswijsheid in een gebrandschilderd raam in de Bossche Sint Jan. In een palet van kleurvlakken zijn de vier elementen te herkennen die het leven uitstraling en ruimte geven: aarde, water, lucht en vuur. Daarin tekende Marius de Leeuw vier handen: twee van God die je uitnodigend wil omarmen, twee van mensen die zich openen naar wat het leven brengen zal.

In alle verstikkende ellende die gebeurde en gebeurt in de wereld is dat voor mij een beeld van hoop en bemoediging. Die handen zijn als de stenen grafkolommen op de begraafplaats in Srebrenica, de bomen en zonnebloemen in het herdenkingspark bij Schiphol en als de aren in het korenveld dat Jezus schetst. Al groeit er veel te veel onkruid, het goede zaad zal niet verloren gaan.

PJ